Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
17/6938 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen en afwijzen nieuwe aanvraag. Vermogensonderzoek. Themacontrole. Selectie bijstandsgerechtigden. Onduidelijke verkoopopbrengst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/248
JWWB 2019/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6938 PW, 17/6939 PW, 19/417 PW

Datum uitspraak: 6 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 13 oktober 2017, 16/2622 en 16/2882 (aangevallen uitspraak 1), en van 14 december 2018, 17/4212 (aangevallen uitspraak 2), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1.

Partijen:

in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1: [appellant] te [woonplaats] (appellant)

in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

in beide hoger beroepen: het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant, onderscheidenlijk appellanten, heeft mr. E. Şahin, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Şahin, die tevens namens appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W.M.M. Hendrickx, C. Volleberg en

mr. M.P.A. van Wijlick.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen, met onderbrekingen, sinds 23 september 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

In het kader van een themacontrole op bezit van onroerende zaken (themacontrole) heeft een sociaal rechercheur bij de gemeente Venlo (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.

1.3.

In dat kader heeft de sociaal rechercheur Bureau Buitenland ingeschakeld om onderzoek te laten doen naar op naam van appellant en/of appellante geregistreerde onroerende zaken in Turkije. Bureau Buitenland heeft hiervoor gebruik gemaakt van de diensten van Juridisch Bureau Rain (Rain). Rain heeft de bevindingen van het in Turkije verrichte onderzoek neergelegd in een rapport van 17 juni 2015. In dat rapport is het volgende vermeld. In het kadastraal register van het district [district] , provincie [provincie] , is een aantal percelen bouwgrond, aangeduid als A-1, A-2 en A-3, op naam van appellant en/of appellante geregistreerd. Dit betreft:

- A-1: 400,39 m² van een perceel bouwgrond, groot 761,76 m², op het adres [adres 1] , bekend als grondstuk 17222 perceel 1 in de wijk [wijk 1] , geregistreerd op naam van appellante, op 30 januari 1995 in bezit gekomen van appellante;

- A-2: 540 m² van een perceel bouwgrond, groot 1.080,00 m², op het adres [adres 2] , bekend als grondstuk 14988 perceel 3 in de wijk [wijk 2] , locatie [locatie] , geregistreerd op naam van appellant, in bezit gekomen van appellant op 3 augustus 2005;

- A-3: 540 m² van een perceel bouwgrond, groot 1.080,00 m², op het adres [adres 3] , bekend als grondstuk 14988 perceel 3 in de wijk [wijk 2] , locatie [locatie] , geregistreerd op naam van appellante, in bezit gekomen van appellante op 8 juli 1988.

Hoewel de onder A-1 vermelde onroerende zaak in de kadastrale gegevens is geregistreerd als perceel bouwgrond, zijn er in werkelijkheid twee gebouwen op gevestigd, waarvan één staat geregistreerd op naam van appellante. De waarde van het onroerend goed A-1 is op

20 mei 2015 getaxeerd op 60.000 Turkse Lira (TL) en de waarde van onroerend goed A-2/A-3 op 19.440 TL, in totaal 79.440 TL. Dat is omgerekend € 27.287,64.

1.4.

Het college heeft in de onderzoeksbevindingen van het onderzoek in Turkije aanleiding gezien om appellanten bij brief van 21 oktober 2015 uit te nodigen voor een gesprek op

11 november 2015. Hierbij heeft het college appellanten verzocht om een aantal nader genoemde gegevens mee te nemen naar het gesprek, waaronder eigendoms- en aankoopbewijzen en actuele waardebepalingen van de onder 1.3 genoemde onroerende zaken en ook bankgegevens. Appellanten hebben op 11 november 2015 een verklaring afgelegd ten overstaan van de sociaal rechercheur en een medewerker handhaving. Appellanten hebben zich in de loop van het gesprek beroepen op hun zwijgrecht en geweigerd om de verklaring te ondertekenen. Zij hebben alleen bankafschriften overgelegd en niet de overige gegevens die het college had gevraagd. De sociaal rechercheur heeft de bevindingen van het onderzoek neergelegd in een Rapportage Bijzonder Onderzoek van 7 december 2015.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 december 2015, zoals gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 28 juli 2016

(bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten met ingang van 11 november 2015 in te trekken. Bestreden besluit 1 berust op de grondslag dat appellanten, door niet alle gevraagde noodzakelijke gegevens te verstrekken, de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand van appellanten vanaf 11 november 2015 niet kan worden vastgesteld.

1.6.

Appellanten hebben zich op 4 februari 2016 opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand naar de norm voor gehuwden. Zij hebben op 23 februari 2016 een aanvraagformulier ingediend, waarbij zij als gewenste ingangsdatum voor de bijstand 25 september 2015 hebben vermeld. Daarbij hebben zij een aantal stukken overgelegd. Het college heeft bij brief van 8 maart 2016 medegedeeld dat de behandeling van de aanvraag wordt opgeschort, omdat appellanten niet alle gevraagde gegevens hadden ingeleverd. Het college heeft wederom om gegevens verzocht over onder meer de onder 1.3 genoemde onroerende zaken in Turkije en verzocht de gegevens vóór 22 maart 2016 in te leveren. Appellant heeft op 18 maart 2016 een aantal gegevens ingeleverd en in een verklaring van diezelfde datum vermeld welke gegevens hij wel en niet heeft en wat de reden daarvan is.

1.7.

Bij besluit van 2 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 augustus 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat de hier aan de orde zijnde periode van 25 september 2015, de gewenste ingangsdatum, tot en met 2 mei 2016 als volgt moet worden opgesplitst:

  1. over de periode van 25 september 2015 tot 1 oktober 2015 is al bijstand verstrekt aan appellanten;

  2. over de periode van 1 oktober 2015 tot en met 7 december 2015 heeft al besluitvorming plaatsgevonden bij het besluit van 7 december 2015. Appellant heeft voor wat betreft deze periode geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld;

  3. over de periode van 8 december 2015 tot 4 februari 2016, de datum van melding, kan geen bijstand worden verleend met terugwerkende kracht. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen;

  4. over de periode van 4 februari 2016 tot en met 2 mei 2016 kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld omdat daarvoor onvoldoende informatie door appellanten is verstrekt.

1.8.

Voorts hebben de onder 1.4 genoemde medewerkers van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten in de periode vóór 11 november 2015 verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek hebben appellanten op 23 november 2016 een gesprek gevoerd met de medewerkers. Appellanten hebben daarbij een aantal stukken overgelegd en een verklaring afgelegd.

1.9.

Bij besluit van 17 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

13 november 2017 (bestreden besluit 3), heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 12 september 2002 tot en met 30 juni 2003 en van 29 augustus 2003 tot en met

10 november 2015 (periodes in geding) ingetrokken. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over die periodes tot een bedrag van € 17.647,47 van appellanten teruggevorderd. Bestreden besluit 3 berust op de volgende grondslag. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door de onroerende zaken die op hun naam stonden niet te melden bij het college. De waarde van deze onroerende zaken is op

20 mei 2015 vastgesteld op € 27.287,64. De waarde van het onroerend goed in de periode van 12 september 2002 tot 20 mei 2015 is door het ontbreken van informatie onbekend. Hierdoor kan het recht op bijstand over de periodes in geding niet worden vastgesteld. Vanaf 20 mei 2015 wordt door het bezit van het onroerend goed de vermogensgrens voor gehuwden ruimschoots overschreden, zodat het recht op bijstand vanaf deze datum op nihil moet worden gesteld. Dit betekent volgens het college dat appellanten ten onrechte bijstand hebben ontvangen tot een bedrag van in totaal € 230.266,-. Het college heeft het bedrag van de terugvordering gematigd tot het hiervoor genoemde bedrag van € 17.647,47. Bij de berekening van de terugvordering is het college uitgegaan van de getaxeerde waarde van het onroerend goed op 20 mei 2015, zijnde € 27.287,64 minus € 9.640,-, de in 2002 voor appellanten geldende vermogensgrens. Met de matiging zijn appellanten volgens het college in elk geval niet tekortgedaan.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen bestreden besluit 3 eveneens ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd en appellanten tegen aangevallen uitspraak 2 op de hierna te bespreken gronden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

Themacontrole/onderzoek in Turkije

4.1.

Appellant heeft als meest vergaande grond aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onrechtmatig zijn verkregen en om die reden niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat het college bij het onderzoek in het kader van de themacontrole heeft gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie. Hiertoe heeft appellant naar voren gebracht dat het college ongerechtvaardigd onderscheid in nationaliteit heeft gemaakt door het onderzoek naar eventueel verzwegen vermogen te beperken tot bijstandsgerechtigden met een Turkse nationaliteit.

4.2.1.

Ingevolge artikel 53a van de PW is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Daarbij mag echter niet in strijd gehandeld worden met het discriminatieverbod, zoals onder meer opgenomen in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Zie de uitspraak van 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2702.

4.2.2.

Een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland dient een legitiem doel. Het college is in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing, en vanwege het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van

sociale voorzieningen, bij het toepassen van de onder 4.2.1 genoemde algemene onderzoeksbevoegdheid een selectie uit het totale bestand van bijstandsgerechtigden te maken, tenzij hierbij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM wordt gemaakt tussen bijstandsgerechtigden.

4.2.3.

De themacontrole is beschreven in de notitie ‘Themacontrole Onroerend goed’ van 1 december 2014 (notitie), die betrekking heeft op het gezamenlijke bestand van alle bijstandsgerechtigden in de gemeenten Venlo en Venray. Aan de hand van de notitie, de door het college bij het verweerschrift in hoger beroep ingebrachte voortgangsnotitie en de door het college in de verweerschriften en ter zitting van de rechtbank en de Raad gegeven toelichting op de themacontrole wordt over de - aard en opzet van de - themacontrole het volgende vastgesteld.

4.2.3.1. De themacontrole behelst een algemeen onderzoek naar vermogen van alle bijstandsgerechtigden van de gemeenten Venlo en Venray. Dit onderzoek vindt vanaf maart 2015 plaats in de landen van herkomst van de bijstandsgerechtigden. Bij aangetroffen onroerend goed vinden vervolgens in Nederland verificatieonderzoeken plaats, bestaande uit onder meer het opvragen van gegevens en het voeren van gesprekken. Voor beide gemeentes worden deze verificatieonderzoeken uitgevoerd door de sociale recherche.

4.2.3.2. De selectie van bijstandsgerechtigden voor onderzoek naar vermogen in Nederland heeft plaatsgevonden aan de hand van een risicoprofiel, waarbij de volgende selectiecriteria zijn gehanteerd: geboorteland Nederland, 55 jaar en ouder zijn en - omdat via een erfenis onroerende zaken kunnen worden verkregen - overleden ouders. Na deze selectie bleven 179 bijstandsgerechtigden over. Deze bijstandsgerechtigden zijn via het Kadaster gecontroleerd op het bezit van onroerende zaken. Na deze controle bleven zeventien bijstandsgerechtigden over. Na verder dossieronderzoek bleken de onroerende zaken van deze bijstandsgerechtigden bekend te zijn. Het onderzoek naar vermogen in Nederland eindigde in november 2016.

4.2.3.3. Omdat het niet mogelijk is om tegelijkertijd in alle landen ter wereld een vermogensonderzoek te laten plaatsvinden, is ervoor gekozen om de controle van alle bijstandsgerechtigden van niet-Nederlandse afkomst te verdelen in tranches. Hierbij wordt per periode van zes tot twaalf maanden naar één of enkele landen van herkomst gekeken. Om meerdere pragmatische redenen - onder meer omdat in Venlo en Venray relatief veel bijstandsgerechtigden een band met Turkije hebben en in dat land betrekkelijk eenvoudig onderzoek kan worden gedaan door Bureau Buitenland - is in Turkije gestart met onderzoek naar vermogen van bijstandsgerechtigden. Na afloop van elk verificatieonderzoek wordt een nieuw onderzoek gestart. In de notitie is opgenomen dat de volgende tranches mogelijk betrekking hebben op bijvoorbeeld Polen, Marokko en het Caraïbisch gebied.

4.2.3.4. De selectie voor onderzoek naar vermogen in Turkije heeft plaatsgevonden aan de hand van de volgende selectiecriteria: geboren in Turkije - in totaal 400 bijstandsgerechtigden, waarvan 88 uit Venray -, geboren vóór 1981 en vakantiegedrag. Na deze selectie bleven in totaal 123 bijstandsgerechtigden over. Na een pre-check door Bureau Buitenland bleven 78 bijstandsgerechtigden over - waarvan veertien uit Venray - die aan een onderzoek zijn onderworpen. Het onderzoek in Turkije eindigde in juni 2017. Dit onderzoek heeft meer tijd gekost dan was voorzien, mede gezien het grote aantal vermogensonderzoeken dat moest worden verricht.

4.2.3.5. Vanaf maart 2017 is ook in andere landen onderzoek gedaan naar vermogen van bijstandsgerechtigden van niet-Nederlandse afkomst. De selectie voor die vermogensonderzoeken heeft plaatsgevonden aan de hand van de onder 4.2.3.4 genoemde selectiecriteria: geboorteland, geboren vóór 1981 en vakantiegedrag. Het gaat om de volgende landen.

- Vanaf maart 2017: België, Spanje en Duitsland. Het IBF heeft onderzoek gedaan naar vermogen van de uit deze landen afkomstige bijstandsgerechtigden die aan de selectiecriteria voldeden. De onderzoeken naar vermogen van bijstandsgerechtigden afkomstig uit België, Spanje en Duitsland eindigden in onderscheidenlijk mei, juni en juli 2017.

- Vanaf oktober 2017: Marokko en Polen. Deze onderzoeken lopen nog.

- Vanaf maart 2018: de Nederlandse Antillen. Dit onderzoek is afgerond.

4.2.4.

Uit deze gegevens kan niet worden afgeleid dat het college bij de selectie van de bijstandsgerechtigden voor onderzoek naar vermogen in het land van herkomst enig rechtens relevant onderscheid heeft gemaakt tussen verschillende groepen bijstandsgerechtigden. Uit wat is vastgesteld over - de aard en opzet - van de themacontrole kan, anders dan appellant stelt, niet worden afgeleid dat het college de intentie heeft gehad - en deze intentie ook ten uitvoer heeft gelegd - om uitsluitend onderzoek te doen naar vermogen van bijstandsgerechtigden die afkomstig zijn uit Turkije. Integendeel, daaruit valt juist af te leiden dat het niet alleen de intentie van het college was om in het kader van de themacontrole onderzoek te doen naar vermogen van alle bijstandsgerechtigden, maar ook dat in dat kader feitelijk onderzoek is en wordt gedaan in andere landen dan Turkije, waaronder Nederland en de onder 4.2.3.5 genoemde landen. Het college heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat na afronding van de onderzoeken in Marokko en Polen andere landen in onderzoek zullen worden genomen, maar kon alleen niet zeggen welke landen dat zullen zijn.

4.2.5.

De beroepsgrond dat het in het kader van de themacontrole uitgevoerde onderzoek naar vermogen van bijstandsgerechtigden vergelijkbaar is met het vermogensonderzoek dat in de gemeente Tilburg is verricht, slaagt niet. Uit 4.2.4 volgt immers - anders dan het geval was bij het in Tilburg verrichte vermogensonderzoek - dat het in het kader van de themacontrole uitgevoerde onderzoek moet worden beschouwd als een gefaseerd en doorlopend onderzoek naar vermogen van alle bijstandsgerechtigden in Venlo en Venray. Weliswaar is in de notitie niet geconcretiseerd in welke andere landen dan Nederland en Turkije onderzoek zal worden gedaan naar vermogen van bijstandsgerechtigden, maar in de notitie is wel vermeld dat na afloop van elk onderzoek een nieuw onderzoek wordt gestart en daarbij zijn wel concrete landen genoemd waar mogelijk vermogensonderzoek zal plaatsvinden. In ieder geval heeft ook daadwerkelijk onderzoek plaatsgevonden naar vermogen van bijstandsgerechtigden die uit die landen afkomstig zijn. Dat een aantal onderdelen van de notitie is toegespitst op het onderzoek in Turkije heeft als reden, zo heeft het college ter zitting van de Raad naar voren gebracht, dat voor het onderzoek in Turkije Bureau Buitenland is ingeschakeld, waarmee aanzienlijke kosten waren gemoeid, waarover verantwoording moet worden afgelegd, terwijl voor onderzoeken in andere landen - kosteloos - het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) is en wordt ingeschakeld.

4.3.

Uit 4.2 tot en met 4.2.5 volgt dat de beroepsgrond, dat het in het kader van de themacontrole verrichte onderzoek discriminatoir is, niet slaagt en het college de bevindingen uit dit onderzoek aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

Bestreden besluit 1: intrekking bijstand met ingang van 11 november 2015

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de onroerende zaken op 2 november 2015 zijn overgedragen aan A. Volgens appellant is bij de overdracht van de onroerende zaken geen vermogen vrijgekomen, omdat het bedrag van de onroerende zaken is verrekend met de schuld die hij had aan A. Appellant heeft ter onderbouwing een schuldpromesse van

18 juli 2009, een verklaring van A van 1 maart 2016 en eigendomsakten overgelegd.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft met de door hem overgelegde, onder 4.4 vermelde, stukken onderbouwd dat de onroerende zaken waarvan appellanten eigenaar waren op 2 november 2015 zijn overgedragen aan A. De stelling van appellant dat dit niet heeft geleid tot het vrijvallen van vermogen, heeft hij daarmee evenwel niet met objectieve en verifieerbare stukken aannemelijk gemaakt. De schuldpromesse en de verklaring van A zijn niet verifieerbaar en worden niet gesteund door overige objectieve bewijsmiddelen. Nu niet controleerbaar is wat er met de verkoopopbrengst van de onroerende zaken is gebeurd, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.

Bestreden besluit 2: afwijzing aanvraag om bijstand van 23 februari 2016

4.6.

Bij een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager om feiten en omstandigheden aan te dragen die duidelijkheid verschaffen over zijn financiële situatie ten tijde van de aanvraag en de daaraan voorafgaande periode. Appellant heeft als enige beroepsgrond aangevoerd dat hij voldoende gegevens heeft verstrekt om het recht op bijstand in de periode van 4 februari 2016 tot en met 2 mei 2016 te kunnen vaststellen. Hij verwijst hiervoor naar de lening met A. Voor zover appellant ook hier heeft willen aanvoeren dat bij de overdracht van de onroerende zaken geen vermogen is vrijgekomen omdat het bedrag van de onroerende zaken is verrekend met de schuld aan A, slaagt deze beroepsgrond niet. Hierbij wordt verwezen naar wat in 4.5 is overwogen.

Aangevallen uitspraak 2

4.7.

Appellanten hebben aangevoerd dat de waarde van de onroerende zaken in 2002 alsnog kan worden vastgesteld. Zij hebben verzocht hiervoor een deskundige te benoemen. Volgens appellanten is aannemelijk dat de waarde in 2002 veel lager was dan die in 2015. De woning op één van de percelen grond is pas in 2005 gebouwd. Dit betekent dat in de periode 2002 tot 2005 alleen sprake was van landbouwgronden, waarvan de waarde lager was dan de toen geldende vermogensgrens. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde in 2002 de vermogensgrens overschreed. Dit betekent volgens appellant dat de terugvorderingsperiode verkort had moeten worden en het terugvorderingsbedrag lager moet worden vastgesteld.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellanten niet aan het college hebben gemeld dat zij in het bezit waren van de onroerende zaken en dat zij in zoverre de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Bij schending van de inlichtingenverplichting voor het bezit van onroerende zaken is het aan de betrokkene om met gegevens te komen aan de hand waarvan de ontwikkeling van de waarde van de onroerende zaken had kunnen worden bepaald en vervolgens het recht op (aanvullende) bijstand had kunnen worden vastgesteld. Vergelijk de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:705. Appellanten zijn hier niet in geslaagd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de woning pas in 2005 is gebouwd. Evenmin hebben zij onderbouwd dat de waarde van de grond in 2002 onder de voor hen geldende vermogensgrens lag. Dit kan niet worden afgeleid uit de door hen overgelegde specificaties registratie gegevens belastingplichtige van 23 september 2016. De waarden die op die belastingaangiften staan vermeld, hebben geen betrekking op de periodes in geding. Bovendien heeft het college terecht gewezen op de vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:196) dat de waarde van onroerende zaken op de aangifte onroerend zaakbelasting geen betrouwbare indicatie vormt van de waarde in het economisch verkeer, omdat de vaststelling van de waarde plaatsvindt naar opgave van de eigenaar, die als belastingplichtige baat heeft bij vaststelling van een lage waarde. De waarde in de periodes in geding kan ook niet worden afgeleid uit de drie taxatierapporten van Komya GMO van 13 oktober 2016. Hierin wordt een waardebepaling per september 1996 genoemd in TL en omgerekend in guldens. Nog afgezien van het feit dat deze rapporten geen betrekking hebben op de periodes in geding, heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze rapporten zeer summier zijn. In de rapporten wordt niet vermeld op grond van welke bevindingen tot de waardebepaling is gekomen. Aan de rapporten kan daarom weinig waarde worden gehecht. In aanmerking genomen de hiervoor beschreven bewijslast die op appellanten rust, bestaat geen aanleiding om een deskundige in te schakelen om alsnog de waarde van de onroerende zaken in 2002 vast te stellen. Het verzoek daartoe wijst de Raad dan ook af. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of appellanten in de periodes in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Nu het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, bestaat evenmin aanleiding tot het toekennen van de in die zaak gevraagde schadevergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraken;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 af.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2019.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.