Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
17/1958 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blokkering en intrekking wegens kunnen volgen van uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1958 PW-PV, 17/1959 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 1 februari 2017, 16/3237, (aangevallen uitspraak 1) en 16/3239 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug

(dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 8 januari 2019

Zitting heeft: M. Schoneveld

Griffier: E. Stumpel

Appellant is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Tuchkova.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellant, geboren [in] 1990, ontvangt sinds 4 november 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Op appellant rusten de arbeidsverplichtingen van artikel 9, van de PW. Appellant heeft geen startkwalificatie. Bij besluit van 6 januari 2016 heeft het dagelijks bestuur appellant meegedeeld dat van hem wordt verwacht dat hij voor

1 februari 2016 ingeschreven staat voor twee BOL-opleidingen en dat hij voor 1 februari 2016 studiefinanciering zal aanvragen. Daarbij is hem ook meegedeeld dat het op 4 januari 2016 opgestelde Plan van Aanpak (PvA) onlosmakelijk deel uitmaakt van dit besluit. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

2. Het dagelijks bestuur heeft de betaling van de bijstand van appellant per 1 februari 2016 geblokkeerd omdat appellant zich niet heeft gehouden aan de afspraken uit het PvA. Bij besluit van 4 juli 2016 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen de blokkering niet-ontvankelijk verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, bestreden besluit 2 vernietigd, het bezwaar tegen de blokkering van de bijstand ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit 2. Daartoe heeft de rechtbank bij aangevallen uitspraak 2 overwogen dat het dagelijks bestuur op goede gronden heeft geoordeeld dat het recht op bijstand per 1 februari 2016 niet meer bestond, zodat het dagelijks bestuur op goede gronden tot blokkering van de uitbetaling van de bijstand is overgegaan.

3. Bij besluit van 1 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 juni 2016 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van

1 februari 2016 ingetrokken op de grond dat appellant ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW geen recht heeft op bijstand. Het college heeft hem daarbij aangemerkt als een jongere die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen maar dit niet doet, zodat hij is uitgesloten van het recht op algemene bijstand. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

4. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank overwogen dat de beroepsgrond van appellant, dat het dagelijks bestuur onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, niet slaagt. Het volgen van een thuisstudie van de NTI staat er niet aan in de weg om een studie te volgen waarbij recht bestaat op studiefinanciering. Verder is niet gebleken en is evenmin door appellant onderbouwd dat in zijn geval een studieschuld eraan in de weg staat om studiefinanciering te verkrijgen. Het betoog van appellant, dat in het PvA een veel te beperkte tijdspanne aan hem is geboden om zich voor 1 februari 2016 te kunnen oriënteren op de reguliere scholingsmarkt en het voor hem feitelijk onmogelijk was om per 1 februari 2016 met een BOL-opleiding te beginnen, faalt. Voor zover appellant de tijdspanne in het PvA te beperkt vond, had hij bezwaar kunnen maken. Appellant heeft nagelaten dat te doen, waardoor het er voor moet worden gehouden dat hij zich in die tijdspanne kon vinden. Hij heeft verder niet met objectiveerbare stukken onderbouwd dat het feitelijk onmogelijk was om per 1 februari 2016 te starten met een BOL-opleiding die tevens recht gaf op studiefinanciering.

5. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak 1 aangevoerd dat het dagelijks bestuur de uitbetaling van de bijstand van appellant heeft geblokkeerd omdat hij de afspraken uit het PvA niet was nagekomen. Er bestond ten tijde van de blokkering geen gegrond vermoeden bij het dagelijks bestuur dat appellant geen recht had op bijstand. Tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd dat - kort gezegd – appellant op 1 februari 2016 niet kon worden aangemerkt als een jongere die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen maar dit niet doet.

6. De gronden die appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is bij de aangevallen uitspraken gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraken onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals hiervoor weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan voor wat betreft de gronden gericht tegen aangevallen uitspraak 1 nog het volgende toe.

6.1.

Tijdens de gesprekken tussen appellant en zijn participatiecoach op 21 oktober 2015 en 10 december 2015 zijn de opleidingsmogelijkheden van appellant onderzocht. De participatiecoach heeft tijdens deze gesprekken appellant gewezen op de scholingsplicht en met hem is gesproken over het volgen van een reguliere BOL-opleiding of BBL-opleiding. Niet valt in te zien, waarom appellant vanaf 21 oktober 2015 tot 1 februari 2016 geen tijd heeft gehad om aan de scholingsplicht te voldoen, dan wel zich onvoldoende zou kunnen oriënteren.

6.2.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij op grond van zijn medische toestand op 1 februari 2016 niet kon starten met onderwijs als bedoeld in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW. Nadat hij in februari 2016 bij een ongeluk betrokken is geraakt heeft hij last gekregen van whiplash klachten. Ter ondersteuning hiervan heeft appellant informatie van huisarts Bonekamp en revalidatiearts Heijnen overgelegd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat het ongeluk op 19 februari 2016 heeft plaatsgevonden, dus na het instroommoment van 1 februari 2016 waarvoor de scholingsplicht was opgelegd. De medische stukken die appellant heeft overgelegd zien op de periode daarna en behoeven dan ook geen bespreking.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

E. Stumpel M. Schoneveld

md