Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
19/489 MPW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde mip. De zesmaandenjurisprudentie is niet van toepassing. De staatssecretaris heeft eerst op 8 augustus 2017 van appellant de melding ontvangen dat hij was gaan samenwonen met zijn partner die, anders dan appellants ex‑echtgenote, een zelfstandig AOW‑recht heeft. Anders dan appellant heeft betoogd heeft hij niet kunnen volstaan met de kennelijke melding van zijn samenwoning aan de Svb in juli 2016. Appellant had zijn samenwoning dan ook rechtstreeks aan de staatssecretaris dienen te melden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 489 MPW

Datum uitspraak: 1 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2018, 18/1597 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie (minister), is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister.

Namens appellant heeft mr. drs. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Welter. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt een militair invaliditeitspensioen (mip) en sinds 1 januari 2015 een militair ouderdomspensioen.

1.2.

Bij besluit van 7 januari 2015 heeft de staatssecretaris op de hoogte van het mip van appellant - in verband met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd - te rekenen vanaf 18 april 2015 een jaarlijkse korting van € 5.653,27 toegepast. Meegedeeld is dat het mip wordt uitbetaald voor zolang en voor zover het bedrag daarvan hoger is dan het bij dezelfde dienstverhouding behorende ouderdomspensioen.

1.3.

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft de staatssecretaris appellant op grond van de door hem op 2 augustus 2017 doorgegeven informatie dat hij op 31 juli 2017 is gescheiden, meegedeeld dat op zijn mip met ingang van diezelfde datum een korting van € 8.292,51 per jaar zal worden toegepast. Van het over de maanden juli en augustus 2017 teveel ontvangen mip van € 219,94 bruto zal maandelijks 10% van zijn mip worden ingehouden.

1.4.

Appellant heeft op 8 augustus 2017 telefonisch bij de afdeling van het Stichting Pensioenfonds ABP (ABP), die het mip namens de staatssecretaris uitvoert, gemeld dat hij per 31 juli 2017 gescheiden is maar ook weer samenwoont. Uit vervolgens bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) ingewonnen informatie is gebleken dat appellant al op 27 juli 2016 met zijn huidige partner is gaan samenwonen, die partner een zelfstandig recht op AOW heeft en appellant nog steeds AOW‑pensioen voor gehuwden ontvangt.

1.5.

Bij besluit van 11 augustus 2017 heeft de staatssecretaris de hoogte van de korting op het mip van appellant per 1 augustus 2016 vastgesteld op een bedrag van € 11.584,15 per jaar waardoor het mip per diezelfde datum vervalt. Het over de maanden 1 augustus 2016 tot 1 augustus 2017 teveel ontvangen mip ten bedrage van € 5.749,08 bruto zal van appellant worden teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 17 januari 2018 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 augustus 2017, onder handhaving daarvan, ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant de staatssecretaris op 19 juli 2016 weliswaar heeft bericht dat hij vanaf 10 juni 2016 duurzaam gescheiden van zijn ex‑echtgenote leeft, maar niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij is gaan samenwonen. Dit heeft de staatssecretaris eerst op 8 augustus 2017 van appellant telefonisch vernomen en vervolgens bij de Svb geverifieerd waarna bleek dat hij reeds vanaf 27 juli 2016 is gaan samenwonen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 8 augustus 2017 aan de staatssecretaris heeft doorgegeven dat hij is gaan samenwonen, dat het recht van appellant op het mip vanwege zijn samenwoning met zijn partner, die een zelfstandig AOW-recht heeft, niet meer tot uitbetaling komt en dat appellant over de periode van 1 augustus 2016 tot 1 augustus 2017 teveel mip heeft ontvangen. Ter beoordeling ligt voor of de staatssecretaris bevoegd was het teveel ontvangen bedrag aan mip van € 5.749,08 bruto van appellant terug te vorderen.

4.2.

Appellant heeft een beroep gedaan op de zesmaandenjurisprudentie. Hij heeft betoogd dat hij de informatie over zijn samenwoning tijdig aan de Svb heeft doorgegeven en dat hij er op basis van gegevens op de website van het ABP vanuit ging dat deze informatie automatisch bij de staatssecretaris terecht zou komen, zodat het dan ook niet aan hem is te wijten dat hij teveel mip heeft ontvangen.

4.3.

Op grond van de zogeheten zesmaandenjurisprudentie wordt de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd beperkt indien het niet adequaat reageert op signalen van een (gewezen) ambtenaar waaruit kan worden afgeleid dat teveel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog maximaal zes maanden om tot actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden is het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel om nog gebruik te maken van de bevoegdheid tot terugvordering.

4.4.

De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding om hier te oordelen dat de zesmaandenjurisprudentie van toepassing is. De staatssecretaris heeft eerst op 8 augustus 2017 van appellant de melding ontvangen dat hij was gaan samenwonen met zijn partner die, anders dan appellants ex‑echtgenote, een zelfstandig AOW‑recht heeft. Anders dan appellant heeft betoogd heeft hij niet kunnen volstaan met de kennelijke melding van zijn samenwoning aan de Svb in juli 2016.

4.5.

Hoewel uit de door appellant overgelegde stukken betreffende de website van het ABP blijkt dat samenwonen niet hoeft te worden gemeld omdat een wijziging in het AOW‑recht automatisch door de Svb aan het ABP wordt gemeld, heeft de staatssecretaris zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen melding van de Svb aan het ABP heeft plaatsgevonden, omdat het AOW‑recht van appellant zelf door de samenwoning niet gewijzigd is; dit bleef een AOW‑recht voor gehuwden. Appellant had zijn samenwoning dan ook rechtstreeks aan de staatssecretaris dienen te melden, aldus de staatssecretaris. De Raad begrijpt de bij appellant ontstane verwarring, maar ziet geen aanleiding de staatssecretaris niet te volgen.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de staatssecretaris bevoegd was om het onverschuldigd betaalde mip van appellant terug te vorderen. Het hoger beroep slaagt dus niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2019.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) F. Demiroğlu

lh