Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
18/3702 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante niet voldeed aan de bij de uitoefening van haar functie redelijkerwijs aan haar te stellen eisen en dat ook niet te verwachten viel dat zij voor 1 november 2016 alsnog aan die eisen en/of verwachtingen zou voldoen. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3702 AW

Datum uitspraak: 1 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

31 mei 2018, 17/563 (aangevallen uitspraak), en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.A.M. Hampsink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hampsink. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.C. Munts en mr. H. Koenders.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was met ingang van 1 november 2014 aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar in de functie van [naam functie] bij de [naam directie] ( [directie] ), afdeling [naam afdeling] . Anders dan gebruikelijk is appellante niet in aanloopschaal 10, maar in de functionele salarisschaal 11 geplaatst.

1.2.

Met appellante is afgesproken dat zij gedurende de proeftijd een leer- en ontwikkeltraject dient te doorlopen om in die periode onder begeleiding van de teamleider, praktijkbegeleider en mentor geleidelijk te groeien naar een zelfstandig functionerende [naam functie] .

1.3.

In de periode van 1 november 2014 tot 18 februari 2016 is appellante werkzaam geweest in team [team 1] onder leiding van teamleider T. Uit het formulier Medewerker & Management (M&M) van 1 mei 2015 blijkt dat appellante zich tot dusver ontwikkelt zoals mag worden verwacht, maar gezien de nog te volgen trainingen en opleidingen nog niet als zelfstandig [naam functie] kan worden ingezet. Verder is haar meegedeeld dat haar enthousiasme een aantal maal is overgekomen als ‘overweldigend’, dat ze enigszins breedsprakig is en soms de drang heeft zichzelf te bewijzen.

1.4.

Bij brief van 13 juli 2015 heeft de minister appellante naar aanleiding van haar gesprek met T op 8 juni 2015 meegedeeld dat zij op dat moment nog over onvoldoende inzicht en vaardigheden beschikt om te voldoen aan de kwaliteit en diepgang die aan het

[directie] - [naam functie] gesteld worden. Daarbij zijn haar een aantal verbeter- en ontwikkelpunten uiteengezet. Verder is gemeld dat het in de communicatie overweldigend overkomen en breedsprakig zijn een aandachtspunt blijft, waarbij haar een persoonlijke effectiviteitstraining is aangeboden.

1.5.

Nadat op 17 juli 2015, 16 oktober 2015 en 17 december 2015 gesprekken met appellante over haar voortgang zijn gehouden, waarin steeds is meegedeeld dat zij niet voldoet aan een aantal essentiële functie-eisen/vaardigheden, is op 15 februari 2016 een plan van aanpak opgesteld ter verbetering van de werkhouding en het gedrag van appellante. Uit dit plan blijkt dat er op het vlak van de communicatieve vaardigheden, de professionele houding, de benaderbaarheid en afspraken en de aandachtseffecten de nodige verbeterpunten zijn. Verder is meegedeeld dat bij het per 20 mei 2016 niet voldoen aan een zichtbare, structurele en geborgde verbetering in houding en gedrag op de in dit plan van aanpak beschreven verbeterpunten, dit zal leiden tot het in gang zetten van de beëindiging van het dienstverband van appellante.

1.6.

In het kader van het verbetertraject is appellante vanaf 18 februari 2016 tijdelijk toegevoegd aan team [team 2] onder leiding van teamleider D-S. In de periode februari 2016 tot en met 25 april 2016 heeft appellante drie [naam afdeling] zelfstandig uitgevoerd. Op

25 april 2016 hebben D-S en appellante, in aanwezigheid van appellantes praktijkbegeleider D, een persoonlijk onderhoud (PO) gevoerd waarbij terugkoppeling is gegeven op deze drie [naam afdeling] .

1.7.

Appellante heeft zich op 26 april 2016 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft in zijn advies van 10 mei 2016 gemeld dat naar zijn oordeel sprake is van een conflict tussen appellante en haar leidinggevende en dat appellante geen medische structurele beperkingen voor haar werk heeft. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij zijn deskundigenoordeel van 23 juni 2016 geoordeeld dat appellante per 18 mei 2016 haar eigen werk niet kon doen.

1.8.

Nadat de minister daartoe een voornemen kenbaar heeft gemaakt, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, heeft hij bij besluit van 5 juli 2016 aan appellante met ingang van 6 oktober 2016 ontslag verleend op grond van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De minister heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit in overeenstemming met het advies van de Adviescommissie Bezwaren Personeel SZW bij besluit van 20 december 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de ontwikkeling van appellante dermate onder de maat is dat verwacht wordt dat zij zich niet binnen de resterende proeftijd zal ontwikkelen tot een zelfstandig [directie] - [naam functie] met een gepaste houding en gedrag. Appellante voldoet niet aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen en is er niet in geslaagd om de verwachte ontwikkelslag te maken en verbetering te laten zien. Dat wat eerder over appellantes scriptie aan de orde is gekomen, zal buiten beschouwing worden gelaten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het ontslag

4.1.

De minister heeft appellante op grond van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR ontslag verleend met ingang van een binnen de proeftijd gelegen tijdstip. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3706) is de toetsing van zo’n besluit terughoudend. Deze toetsing is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de ambtenaar niet (geheel) aan de door het bestuursorgaan in redelijkheid te stellen eisen en/of verwachtingen heeft voldaan en ook niet te verwachten viel dat hij voor het einde van de aanstelling alsnog aan die eisen en/of verwachtingen zou voldoen. Het niet voldoen aan redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen moet berusten op concrete en deugdelijk vast te stellen gegevens die dit oordeel kunnen dragen (uitspraak van 12 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1748). Anders dan appellante heeft betoogd ziet de Raad geen aanleiding om hier een minder terughoudende toets toe te passen.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet voldeed aan de bij de uitoefening van haar functie redelijkerwijs te stellen eisen en/of verwachtingen. Hierin wordt appellante niet gevolgd. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante al in de beginfase van haar proeftijd is aangesproken op haar functioneren en dat dit meerdere keren is herhaald, waarbij concreet is vermeld wat de verbeterpunten waren, die met name gelegen waren in gedrag en communicatie. Tevens is een plan van aanpak opgesteld met daarin concrete punten die ook betrekking hebben op het inhoudelijke werk als [naam functie] .

4.3.

Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de plaatsing in team [team 2] moet worden aangemerkt als een verbeterkans. De Raad ziet niet in dat van de minister verlangd kon worden dat appellante hier met een schone lei had moeten beginnen. Hoewel het een korte periode betrof, blijkt hieruit niet dat dit geen reële verbeterkans is geweest, nu zij volgens het PO-verslag van 25 april 2016 in die periode drie [naam afdeling] heeft uitgevoerd.

4.4.

Appellante wordt tot slot niet gevolgd in haar standpunt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar arbeidsongeschiktheid. Uit het advies van de bedrijfsarts van 10 mei 2016 noch uit het deskundigenoordeel van het Uwv van 23 juni 2016 blijkt dat het door appellante gestelde conflict met T haar ontwikkeling in de weg heeft gestaan en dit uiteindelijk heeft geleid tot haar ziekmelding op 26 april 2016.

4.5.

Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante niet voldeed aan de bij de uitoefening van haar functie redelijkerwijs aan haar te stellen eisen en dat ook niet te verwachten viel dat zij voor 1 november 2016 alsnog aan die eisen en/of verwachtingen zou voldoen. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Het verzoek om schadevergoeding

4.6.

Uit 4.5 volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit, zodat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en H. Benek en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) Y. Itkal

md