Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2566

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
17/5277 WAJONG-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanknopingspunten voor twijfel aan standpunt verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het oordeel van de rechtbank wordt gevolgd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5277 WAJONG-PV

Datum uitspraak: 10 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juni 2017, 17/485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Zitting hebben: M. Greebe als voorzitter en E.W. Akkerman en D. Hardonk-Prins als leden

Griffier: R.H. Koopman

Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door mr. J. Boelens, kantoorgenoot van haar gemachtigde mr. J.W. Brouwer, en mr. S. Praagman, vertegenwoordigster van het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1.1.

Appellante ontvangt in verband met psychische klachten en rugklachten sinds

27 juni 2005 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wajong gewijzigd (Wajong 2015). Om vast te kunnen stellen of appellante arbeidsvermogen heeft, heeft appellante op verzoek van het Uwv een vragenlijst ingevuld en heeft zij op 4 augustus 2015 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft. Daarom heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

11 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij onveranderd recht heeft op een uitkering van 75% van het minimumloon omdat zij geen arbeidsvermogen heeft. Appellante is van mening dat voldoende vaststaat dat zij geen arbeidsvermogen heeft, omdat het Uwv in het verleden heeft geconcludeerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is en het haar sindsdien nooit is gelukt om op enige wijze aan het arbeidsproces deel te nemen. Appellante heeft gesteld dat zij met haar beperkte verstandelijke vermogen en chronische rugklachten absoluut niet geschikt is voor inpakwerk. Ook heeft zij gebits- en maagproblemen.

4. Ter zitting is besproken dat met de Wajong 2015 andere criteria zijn gaan gelden om in aanmerking te blijven komen voor een Wajong-uitkering van 75% van het minimumloon dan in de periode daaraan voorafgaand. Vastgesteld is vervolgens dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 2 januari 2017, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, het volgende heeft gesteld:

“Er is weliswaar sprake van een lichte verstandelijke beperking en er zijn chronische rugklachten, maar deze aandoeningen zijn niet dusdanig ernstig dat cliënte niet in staat zou zijn om verdeeld over de dag vier uur te werken of één uur aangesloten. Voorbeelden uit het dagelijks leven geven aan dat cliënte hiertoe in staat geacht moet worden. Het beleid bij chronische rugklachten is gericht op meer bewegen en actief blijven, daar past werken ook wel bij.”

Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor twijfel aan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het oordeel van de rechtbank wordt gevolgd. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier. De voorzitter.

(getekend) R.H. Koopman (getekend) M. Greebe

GdJ