Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2561

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
17/6810 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering .De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6810 ZW

Datum uitspraak: 1 augustus 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

4 september 2017, 17/730 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. van der Linden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante had een WSW-indicatie en heeft zich per 25 augustus 2016 voor haar werk ziek gemeld met buikgriep. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). De bedrijfsarts van haar werkgever (een eigen risicodrager) heeft appellante per 9 november 2016 weer geschikt geacht voor haar werk. Het Uwv heeft per diezelfde datum de ZW-uitkering van appellante beëindigd op de grond dat appellante per die datum hersteld is. Dit is aan appellante medegedeeld bij besluit van 11 november 2016.

1.2.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek door de bedrijfsarts maar vijf minuten duurde. Zij heeft gemeld dat zij nu helemaal ziek is, veel huilt, veel stress ervaart en de zorg heeft over haar meerderjarige kind en over haar moeder van 84 jaar. Daarnaast heeft appellante naar voren gebracht dat zij in de overgang is en niet veel energie heeft, mede omdat zij maar één nier heeft. Appellante heeft, ondanks verschillende uitnodigingen van het Uwv daartoe, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 november 2016 heeft het Uwv bij besluit van 27 december 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 december 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bestuursorgaan, voordat het op bezwaar beslist, een belanghebbende in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord. Dat heeft het Uwv gedaan. Uit de brief van het Uwv van 7 december 2016 blijkt dat appellante kon kiezen voor een hoorzitting door het bijgevoegde antwoordformulier terug te sturen. Appellante heeft dit formulier niet geretourneerd. Het Uwv heeft meerdere keren geprobeerd haar telefonisch te bereiken om haar uit te nodigen voor een hoorzitting. De stellingen van appellante dat zij ontwijkend gedrag vertoont en zich er daardoor niet toe heeft kunnen zetten om te kiezen voor een hoorzitting en dat het bezwaarschrift zeer summier was maken niet dat het Uwv uit eigen beweging een hoorzitting had moeten plannen. Dat appellante er voor heeft gekozen om geen gemachtigde in te schakelen, kan niet aan het Uwv worden tegengeworpen. Ook haar standpunt dat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inhoudelijk onjuist is heeft de rechtbank niet gevolgd. Appellante heeft op geen enkele manier onderbouwd dat zij meer medische beperkingen heeft dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Ter zitting heeft appellante verklaard dat zij voor de door haar gestelde aandoeningen in behandeling is of is geweest. Zij heeft eenmalig een gesprek gevoerd met een psycholoog; daarbij is het gebleven. Appellante heeft daarmee niet voldaan aan de eis dat ten minste een begin van bewijs moet zijn geleverd op basis waarvan redelijke twijfel kan bestaan aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het niet juist is dat zij niet door een arts van het Uwv is gezien. Zij heeft onder meer verwezen naar de uitspraak van de Raad van

4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039, waarin is bepaald dat het uitsluitend de taak is van een verzekeringsarts om beperkingen vast te stellen. Het Uwv heeft appellante niet goed voorgelicht over de gevolgen van het niet verschijnen bij de hoorzitting in de bezwaarfase. Het was appellante niet duidelijk dat daarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig zou zijn. In een brief van het Uwv stond dat zij niet naar de hoorzitting hoefde te komen en dat haar bezwaar ook dan zorgvuldig zou worden behandeld. Dat is niet gebeurd. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt onder meer medische stukken van haar huisarts en een Rapportage psychisch belastbaarheidsonderzoek van Werkzaak Rivierenland van 13 mei 2019 ingediend. Uit deze stukken blijkt dat volgens appellante dat zij veel stress had op haar werk, waarmee zij zich ziek heeft gemeld en dat er sprake is van een angststoornis. Appellante heeft gevraagd om benoeming van een deskundige.

3.2.

Het Uwv heeft gevraagd om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Anders dan appellante bepleit, mag het Uwv in een ZW-zaak afgaan op het oordeel van een bedrijfsarts. Het Uwv heeft telefonisch geprobeerd appellante te spreken over de hoorzitting. Appellante nam de telefoon niet op en belde niet terug. Op de brief waarin haar werd gevraagd of zij een hoorzitting wenste, heeft zij niet gereageerd. Het is derhalve haar keuze geweest om niet op de hoorzitting te verschijnen. Dat maakt niet dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de laatstelijk ingebrachte stukken bekeken en is tot het standpunt gekomen dat deze geen ander licht op de zaak werpen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is niet van toepassing bij beoordelingen in het kader van artikel 19 van de ZW. Dat het Uwv in dit geval gehouden was door een verzekeringsarts lichamelijk of psychisch onderzoek te laten verrichten volgt ook niet uit de ZW of de wetsgeschiedenis. In het rapport van de bedrijfsarts van 27 oktober 2016 is het standpunt dat er geen sprake is van medische arbeidsongeschiktheid duidelijk gemotiveerd. De bedrijfsarts geeft te kennen dat er sprake is van een ziekmelding met buikgriep en dat de buikgriep al lang over is. Appellante is nu maanden thuis en kan het niet opbrengen om naar haar werk te gaan. Ze vindt het werk niet leuk, geestdodend en ze ervaart geen klik met mensen om haar heen. Privé speelt er een belastende situatie. De door appellante aangehaalde uitspraak van de Raad heeft betrekking op een beoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en betreft een geheel andere situatie dan hier aan de orde is.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv niet gehouden was zelfstandig een hoorzitting te plannen. Het Uwv heeft appellante in de gelegenheid gesteld te worden gehoord door op verschillende manieren contact te zoeken met appellante, maar appellante heeft er voor gekozen niet te reageren. Dat zij geen gemachtigde had die haar het belang van een hoorzitting vertelde, kan het Uwv niet worden tegengeworpen. Niet wordt gevolgd dat de omstandigheid dat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden reeds maakt dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig was.

4.4.

De rechtbank heeft terecht ook verder geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is na dossierstudie, inzichtelijk gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat het standpunt van de bedrijfsarts kan worden gevolgd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarbij niet gehouden was informatie in te winnen bij de huisarts van appellante. De daarvoor door de rechtbank gegeven motivering wordt onderschreven.

4.5.

De rechtbank heeft evenzeer terecht onder de onder 2 weergegeven motivering geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep inhoudelijk onjuist te achten.

4.6.

De in hoger beroep ingebrachte stukken leiden niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven dat de ingebrachte informatie geen aanleiding geeft het standpunt te wijzigen, omdat in de brief van de huisarts geen medische onderbouwing is te vinden voor een psychisch of psychiatrisch ziektebeeld. In het rapport van het belastbaarheidsonderzoek wordt niet medisch onderbouwd welke onderliggende geobjectiveerde stoornis of ziekte bij appellante aanwezig is, noch aan welke ziektecriteria is getoetst. Dat de draagkracht van appellante op onderdelen sterk beperkt zou zijn sluit verder niet uit dat zij haar werk als inpakster in WSW-verband voor drie keer vier uur per week aankon. De stukken hebben voorts geen betrekking op de datum in geding. Er is geen aanleiding om deze naar behoren gemotiveerde reactie van de verzekeringsarts onjuist te achten.

4.7.

Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen wordt afgewezen omdat de hiervoor noodzakelijke twijfel ontbreekt.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2019.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) J. Smolders

GdJ