Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
17/1741 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Geen twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Met de FML’s is in voldoende mate rekening gehouden met de fysieke beperkingen voor het verrichten van arbeid. Geschikt voor de geduide voorbeeldfuncties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1741 WIA, 18/2604 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2017, 16/3159 (aangevallen uitspraak 1) en 30 maart 2018, 17/4525

(aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.J.M. Sapuletej-Kuijpers hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 ingesteld.

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Bij brief van 14 maart 2017 heeft mr. R. Kaya zich in zaak 17/1741 gesteld als opvolgend gemachtigde.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 13 december 2018, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 30 december 2011 uitgevallen voor haar werkzaamheden als teamleider verkoopafdeling supermarkt in dienst van [naam werkgever N.V.] (werkgever). Bij besluit van 20 november 2013 heeft het Uwv appellante met ingang van 27 december 2013 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Met ingang van 27 april 2015 heeft appellante een

WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangen.

1.2.

In het kader van een professionele herbeoordeling op 23 oktober 2015 heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2015 (besluit 1) met ingang van 3 november 2015 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 64,97% en medegedeeld dat de hoogte van de loonaanvullingsuitkering niet wijzigt. Bij beslissing op bezwaar van 15 april 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 november 2015 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 ligt een rapport van

18 maart 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 6 april 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.3.

. Op verzoek van de voormalige werkgever heeft op 14 november 2016 een herbeoordeling plaatsgevonden. Bij besluit van 6 december 2016 (besluit 2) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op 64,97%. Zowel appellante als de werkgever hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 december 2016. Bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2017 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellante en de werkgever tegen het besluit van 6 december 2016 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65,63%. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van 7 juli 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en rapporten van 29 maart 2017 en van 4 mei 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluiten 1 en 2.

2.1.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Uit de beroepsgronden kan de rechtbank niet afleiden dat het Uwv een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante per de datum in geding 3 november 2015 of dat met de door appellante in beroep genoemde klachten onvoldoende rekening is gehouden bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 oktober 2015. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellante in de bezwaarprocedure ingebrachte informatie, van onder meer de huisarts en de bedrijfsarts van januari 2015, bij de beoordeling heeft betrokken. Daarnaast heeft verzekeringsarts Kirchner aannemelijk geacht dat appellante vermoeid is, maar niet in de ernst zoals zij claimt. Hij acht belasting op normaal niveau niet schadelijk voor de gezondheid van appellante en derhalve ook niet gecontra-indiceerd. Mits geleidelijk opgebouwd, ziet hij geen aanleiding waarom zij in passend werk niet voor halve dagen zou kunnen functioneren. Rekening houdend met de overige beperkingen is er volgens de verzekeringsarts geen reden voor een verdergaande medische urenbeperking. Uit het rapport van 18 maart 2016 volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische reden ziet om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de verzekeringsarts de klachtenbeleving van appellante in ruime mate tegemoet gekomen door haar voor 4 uur per dag, 20 uur per week belastbaar te achten.

2.1.2.

De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nadere rapport van 29 november 2016 voldoende heeft gemotiveerd dat de overgelegde informatie uit de behandelend sector evenmin aanleiding geeft om de FML van

23 oktober 2015 aan te passen. De voorlichtingsbrochure over Prematuur Ovarieel Falen gaat niet specifiek over de toestand van appellante. Uit het verslag van de ergotherapeut blijkt dat appellante heeft geleerd beter om te gaan met haar lage energieniveau. In de brieven van de huisarts, de bedrijfsarts en revalidatiepsycholoog en arts pijnrevalidatie worden geen feiten of omstandigheden aangedragen welke aanleiding zouden kunnen geven tot een ander standpunt over de belastbaarheid van appellante op datum in geding 3 november 2015. Nu appellante informatie heeft ingebracht die volgens haar afwijkt van het oordeel van de verzekeringsarts ligt het op haar weg dat standpunt te onderbouwen met bijvoorbeeld een inzichtelijk gemotiveerd medisch oordeel.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Uit de beroepsgronden kan de rechtbank niet afleiden dat het Uwv een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante per de datum in geding 6 december 2016 of dat met de door appellante in beroep genoemde klachten onvoldoende rekening is gehouden bij het opstellen van de FML van 14 november 2016. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, te weten vermoeidheidsklachten, vergeetachtigheid, concentratieproblemen, misselijkheidsklachten en de gevoeligheid voor geluid en licht, zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De verzekeringsarts geeft aan dat hij tot dezelfde conclusie komt als de zelfstandige bedrijfsarts die appellante zeer recent op verzoek van Robidus heeft beoordeeld en tot het oordeel komt dat er geen sprake is van substantiële of wezenlijke verandering in het afgelopen jaar. Het gaat om een stabiele medische situatie, waarbij de diagnoses duidelijk zijn en de beperkingen ook stabiel zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de verzekeringsarts in dit standpunt en geeft aan dat nergens uit blijkt dat er inderdaad ook een geobjectiveerde verandering (verslechtering) van het medisch beeld is ontstaan die aanleiding zou kunnen geven tot een herziening van de belastbaarheid.

3.1.

Appellante heeft in de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken aangevoerd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. Voorheen werd zij volledig arbeidsongeschikt geacht en niet duidelijk is voor haar waarom dat niet langer het geval is terwijl haar gezondheidssituatie onveranderd is. Uit de gedingstukken en de door haar overgelegde stukken volgt volgens appellante dat haar gezondheidssituatie chronisch van aard is, niet is verbeterd en ook niet zal verbeteren.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat het Uwv terecht – na zorgvuldig en volledig onderzoek – de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 3 november 2015 op 64,97% en met ingang van 6 december 2016 op 65,63%, heeft vastgesteld.

4.2.

De gronden waarop de hoger beroepen berusten, zijn in de kern een herhaling van wat appellante in de beroepen bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraken afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraken 1 en 2 en de aan deze oordelen ten grondslag gelegde overwegingen.

4.3.

De in de hoger beroepen overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel nu deze stukken niet zien op de data hier in geding. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat met de FML’s in voldoende mate rekening is gehouden met de op de data in geding bestaande fysieke beperkingen voor het verrichten van arbeid. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben voldoende aandacht besteed aan de lichamelijke en psychische problematiek en gemotiveerd dat appellante in staat wordt geacht tot het verrichten van passende licht fysieke arbeid. De door Robidus ingeschakelde bedrijfsarts N. Al-Qezweny heeft in zijn rapport van 17 oktober 2016 zijn twijfel geuit over de mogelijkheid voor appellante om vier uur per dag, 20 uur per week te werken. Appellante heeft echter ter zitting te kennen gegeven dat zij, hoewel met zeer veel moeite, voor 20 uur per week tot

20 september 2018 werkzaam is geweest. Op deze datum heeft zij zich opnieuw ziekgemeld.

4.4.

Wat appellante verder heeft aangevoerd over de afwezigheid van een verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de hoorzitting en de stelling van het Uwv dat zij voorafgaand aan besluit 2 een arbeidsdeskundige heeft gesproken, leidt niet tot een ander oordeel. Het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met dossieronderzoek wordt niet zonder meer onzorgvuldig geacht. Het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998

(in werking getreden op 1 januari 1998) schrijft de aanwezigheid van een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een hoorzitting niet voor, al kan dit vaak wel bijdragen aan een zorgvuldige beoordeling. In dit geval worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de afwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ter hoorzitting als onzorgvuldig dient te worden aangemerkt.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML’s zijn de voorbeeldfuncties die door de arbeidsdeskundigen bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt voor appellante. De arbeidsdeskundigen bezwaar en beroep hebben inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de belasting in de functies, ook in het licht van de daarbij vermelde signaleringen, de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het Uwv appellante terecht met ingang van 3 november 2015 voor 64,97% en met ingang van 6 december 2016 voor 65,63% arbeidsongeschikt heeft geacht.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken 1 en 2 moeten worden bevestigd.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het verzoek van appellante om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) L. Boersma

md