Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
17/5371 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eerst in hoger beroep toereikende onderbouwing bestreden besluit. Vergoeding proceskosten door Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5371 WIA

Datum uitspraak: 31 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

9 juni 2017, 17/720 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.J. de Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.B. Bijkerk, kantoorgenote van mr. De Boer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is werkzaam geweest als begeleider bij de [Stichting] . Voor dat werk is zij op 14 augustus 2014 uitgevallen met fysieke klachten. Bij besluit van

11 augustus 2016 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 11 augustus 2016, na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 104 weken, een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 12 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is geweest. De rechtbank heeft overwogen dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat de klachten van appellante zijn onderkend. In beroep heeft appellante verder geen nieuwe medische stukken overgelegd ter onderbouwing van haar klachten, anders dan de recente beoordeling in het kader van de Ziektewet. Deze beoordeling ziet op een andere datum en is gedaan in het licht van een ander beoordelingskader. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige in te schakelen

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd het medisch en arbeidskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig zijn verricht. Volgens appellante zijn haar beperkingen onderschat. Ten onrechte is geen verdergaande urenbeperking aangenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapport van medisch adviseur dr. mr. drs. D.S. Rambocus van

30 maart 2017 overgelegd. Appellante heeft verder aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt voor haar zijn. Appellante heeft verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.

3.2.

Het Uwv heeft gevraagd de aangevallen uitspraak te bevestigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep weliswaar een per abuis niet opgenomen beperking bij item 3.7 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) alsnog opgenomen, maar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft uitgaande van deze aangepaste FML van

11 oktober 2017 nadere gemotiveerd waarom de voor appellante geselecteerde functies onveranderd geschikt zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat voor een verzekerde na afloop van de wachttijd recht op uitkering als hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat na afloop van de wachttijd een recht op uitkering voor de verzekerde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 11 augustus 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. De verzekeringsartsen hebben dossierstudie verricht en hebben appellante lichamelijk en psychisch onderzocht. Alle klachten van appellante zijn kenbaar bij de beoordeling betrokken. Er bestaat ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er zijn in de beschikbare medische stukken geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante, voor zover deze een rechtstreeks en medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebrek, heeft onderschat. Ook het door appellante in hoger beroep overgelegde rapport van Rambocus geeft geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de inhoud van dit rapport geen aanleiding geeft om meer beperkingen op te nemen in de FML.

4.4.

Vanwege het ontbreken van de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv is er geen aanleiding om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen. Het verzoek van appellante wordt dan ook afgewezen.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 11 oktober 2017 is de geschiktheid van appellante voor de geselecteerde functies van medewerker bibliotheek, administratief medewerker afhandelingen en productiemedewerker industrie afdoende gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4.7.

Het besluit is gelet op de aanpassing van de FML en de nadere motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep eerst in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden.


5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.024,- in hoger beroep. De Raad ziet tevens aanleiding om de kosten van de door appellant ingeschakelde deskundige Rambocus voor het verrichten van onderzoek en het opstellen van een rapport te vergoeden, echter niet het volledige bedrag waar appellant op basis van de nota van Rambocus om heeft verzocht (460 minuten, met een uurtarief van € 210, totaal € 1.948,10). Conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) wordt ten hoogste € 121,95 per uur vergoed. Op grond van artikel 15 van het Bts worden de bedragen verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. De vergoeding van de kosten van het door Rambocus opgemaakte rapport van 30 maart 2017 (vermeerderd met btw) wordt vastgesteld op totaal € 1.131,29. De totale door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen € 3.179,29. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van in totaal € 3.179,29;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2019.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) W.M. Swinkels

TM