Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2532

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
18/4452 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:3804, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand na opschorting. Verwijt niet ingeleverde stukken. Niet aannemelijk gemaakt dat appellant geen afhaalbericht van de aangetekende verzending heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4452 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juni 2018, 18/282 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 23 juli 2019

Zitting heeft: P.W. van Straalen als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: D. Bakker

Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. R.T. Laigsingh, advocaat. Het college is, met bericht, niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Dat oordeel berust op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om de intrekking van bijstand met ingang van 27 september 2017 na een eerdere opschorting van de bijstand per diezelfde datum. Het college heeft de bijstand ingetrokken omdat appellant de bij de opschorting gevraagde bankafschriften niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft verstrekt.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

Niet in geschil is dat appellant de gevraagde gegevens niet tijdig heeft verstrekt. Ook niet in geschil is dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van de bijstand en dat appellant redelijkerwijs over deze stukken kon beschikken.

Het geschil ziet op de vraag of appellant van het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens een verwijt kan worden gemaakt. Appellant voert in dit verband aan dat hij het besluit tot opschorting van 28 september 2017, waarbij hem een hersteltermijn is geboden en hij erop is gewezen dat het niet tijdig verstrekken van de stukken ertoe kan leiden dat de uitkering wordt stopgezet, niet heeft ontvangen. Ook heeft hij geen afhaalbericht ontvangen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Indien een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst daarvan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Niet in geschil is dat uit het systeem Track&Trace is af te leiden dat de brief van 28 september 2017 op 30 september 2017 en op 2 oktober 2017 op het adres van appellant is aangeboden en vervolgens naar de [locatie] op [adres] is gebracht om door appellant te worden opgehaald. Uit Track&Trace blijkt verder, zoals ter zitting met appellant is vastgesteld, dat PostNL daartoe een afhaalbericht heeft achtergelaten. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5032) dat, indien de belanghebbende vervolgens stelt geen afhaalbericht te hebben ontvangen, het op zijn weg ligt feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Appellant heeft dergelijke feiten niet gesteld. De enkele stelling van appellant dat dit van hem niet kan worden verwacht omdat niet valt in te zien hoe hij dit moet doen, vormt geen aanleiding van de vaste rechtspraak terug te komen.

Appellant kan daarom een verwijt worden gemaakt van het niet tijdig herstellen van het verzuim. De omstandigheid dat op het adres van appellant regelmatig post verloren gaat, leidt niet tot een ander oordeel. De wijze waarop de post, na correcte bezorging aan het opgegeven adres, intern verder wordt behandeld, komt voor risico van de geadresseerde.

De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) D. Bakker (getekend) P.W. van Straalen