Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
18/2906 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Niet wonend op het uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2906 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2018, 17/4614 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 23 juli 2019

Zitting heeft: mr. P.W. van Straalen

Griffier: D. Bakker

Ter zitting is namens appellant mr. C.R. van Stokkum verschenen. Namens het dagelijks bestuur is mr. P.C. van der Voorn verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om een intrekking van bijstand omdat appellant niet woonachtig was

op het uitkeringsadres.

Appellant ontving bijstand met ingang van 17 november 2016. Het dagelijks bestuur heeft de

bijstand ingetrokken met ingang van 10 augustus 2017, de datum waarop een huisbezoek

heeft plaatsgevonden aan de woning op het uitkeringsadres. Met de bevindingen tijdens dat

huisbezoek, in combinatie met de verklaring die appellant voorafgaand aan het huisbezoek

heeft afgelegd, heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant niet woonachtig was op

het uitkeringsadres.

Tijdens het huisbezoek bleken twee van de drie slaapkamers leeg te zijn. De derde slaapkamer

stond vol met spullen. Er stonden een matras tegen de muur en platte dozen met meubels die

nog in elkaar moeten worden gezet. In de hoek stonden twee vuilniszakken met kleding,

waarvan appellant aangaf dat dit oude kleding betrof. Andere kleding, zoals ondergoed of

sokken, was er niet, terwijl appellant daarover voorafgaand aan het gesprek wel had

verklaard. Zijn kleding zou in een bruin kastje liggen, maar dat kastje was er ook niet.

Administratie was niet aanwezig. Die lag bij de zus van appellant. Bankafschriften stonden

nog op het adres van de moeder van appellant en waren ook niet aanwezig. De koelkast was

nagenoeg leeg. In de koelkast stonden alleen een pak melk, een fles saus en een fles sambal.

In de koelkast stonden geen boter, kaas, appelsap of Vifit waarvan appellant had aangegeven

dat die er zouden staan. In de berging stond een wasmachine die het niet meer deed, terwijl

appellant voorafgaand aan het huisbezoek nog had verklaard dat hij één keer in de twee

weken de was deed.

In de woning waren weliswaar meubels aanwezig en ook was sprake van enige mate van

elektriciteitsverbruik, maar het geheel van feiten en omstandigheden zoals aangetroffen

tijdens het huisbezoek, in combinatie met het feit dat appellant voorafgaand aan het

huisbezoek een verklaring heeft afgelegd die op meerdere punten afwijkt van de feitelijk

aangetroffen situatie, duidt er op dat appellant ten tijde van het huisbezoek het zwaartepunt

van zijn persoonlijk leven niet, althans nog niet, op het uitkeringsadres had. Dat de verklaring

van appellant als gevolg van het gebruik van medicijnen niet juist zou zijn, vindt geen

grondslag in de stukken.

De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de kosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) D. Bakker (getekend) mr. P.W. van Straalen