Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2521

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
17/6065 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand na opschorting. Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag in verband met onduidelijke inkomenspositie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6065 PW, 18/3408 PW

Datum uitspraak: 30 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

21 juli 2017, 17/608 (aangevallen uitspraak 1) en 9 mei 2018, 17/2258 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Namens appellante is

mr. Van der Kleij verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J. Luigies.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 18 augustus 2015 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). De bijstand is appellante verstrekt in de vorm van een geldlening, omdat zij nog in een echtscheidingsprocedure betrokken was en de echtelijke woonwagen op haar naam stond geregistreerd. Daarbij is appellante meegedeeld dat, zodra de echtscheiding uitgesproken en de boedel verdeeld is, wordt beoordeeld of zij over voldoende middelen beschikt om zelf in de kosten van het bestaan te voorzien. Appellante is de bijzondere verplichting opgelegd haar aandeel in de woonwagen op te eisen bij haar ex-partner. Appellante diende daarnaast haar consulent op de hoogte te houden van het verloop van de echtscheidingsprocedure en, zodra de echtscheiding zou zijn uitgesproken, het echtscheidingsconvenant bij het college in te leveren.

1.2.

Het college heeft appellante bij brief van 3 november 2016 gevraagd binnen een week gegevens in te leveren waaruit blijkt hoe zij de woonwagen heeft gefinancierd en waaruit blijkt dat de echtscheiding is aangevraagd en dat zij heeft verzocht om een boedelscheiding.

1.3.

Aan het verzoek van het college heeft appellante geen gehoor gegeven. Daarom heeft het college bij besluit van 14 november 2016 het recht op bijstand van appellante op grond van artikel 54, eerste lid, van de PW met ingang van 10 november 2016 opgeschort. Het college heeft appellante daarbij tot 21 november 2016 de gelegenheid geboden de gevraagde gegevens alsnog over te leggen. Van die gelegenheid heeft appellante geen gebruik gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 1 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van

10 november 2016 ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet de gevraagde gegevens binnen de hersteltermijn heeft verstrekt.

1.5.

Appellante heeft op 6 december 2016 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft appellante bij brief van 28 december 2016 verzocht de voor de beoordeling van het recht op bijstand benodigde gegevens vóór 6 januari 2017 over te leggen. Het ging om een uitspraak met betrekking tot de boedelscheiding, dan wel een verklaring daarover van haar advocaat, alimentatiegegevens, dan wel bewijs dat actie richting het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is ondernomen om alimentatie betaald te krijgen, en kopieën van de afschriften van de bankrekeningen van appellante en haar minderjarige kinderen over de periode vanaf 18 juni 2015. Appellante heeft aan dit verzoek gedeeltelijk gehoor gegeven door enkele gegevens over de boedelscheiding en alimentatiegegevens over te leggen. Een medewerker van het college heeft op 17 januari 2017 een intakegesprek met appellante gevoerd.

1.6.

Bij besluit van 31 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

12 september 2017 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende inzage heeft verstrekt in haar financiële situatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.

Appellante heeft tegen het opschortingsbesluit geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit in rechte vaststaat. Hier ligt dus uitsluitend ter beoordeling voor of de intrekking van de bijstand met ingang van 10 november 2016 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3.

Niet in geschil is dat de verzochte stukken voor de verlening van de bijstand van belang zijn en evenmin dat appellante die niet heeft overgelegd binnen die daartoe gestelde hersteltermijn. Appellante heeft aangevoerd dat haar dat niet valt te verwijten, omdat zij meende dat zij het college reeds mondeling voldoende had ingelicht via haar klantmanager, door deze steeds op de hoogte te houden van de ontwikkelingen rond de echtscheiding.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de gedingstukken blijkt dat het college appellante heeft gevraagd concrete stukken over te leggen en daarvoor gebruik te maken van een retourenveloppe. Daaruit heeft appellante redelijkerwijs kunnen afleiden dat zij het college nog onvoldoende had ingelicht. Gelet daarop had het op de weg van appellante gelegen aan het verzoek gehoor te geven. Voor zover appellante van mening was dat zij de gevraagde informatie die in de stukken was vervat reeds mondeling aan het college had verstrekt, had het op haar weg gelegen daarover in overleg te treden met het college. Zij heeft dit nagelaten. Dit leidt ertoe dat appellante kan worden verweten dat zij heeft verzuimd de verzochte stukken tijdig te verstrekken.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 10 november 2016 in te trekken.

4.6.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken, omdat zij tijdens de bezwaarfase alsnog de gevraagde stukken heeft overgelegd en uit de toekenning op een latere aanvraag blijkt dat zij op die latere datum recht op bijstand had. Daarmee had het college bij de keuze om gebruik te maken van zijn bevoegdheid rekening moeten houden. Bovendien stelt appellante dat de in de bezwaarfase overgelegde stukken slechts een bevestiging vormen van een bij het college bekende situatie.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Dat appellante in de bezwaarfase alsnog de verzochte stukken heeft overgelegd, brengt volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van

16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) niet mee dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Aan na afloop van de daartoe gestelde termijn ingediende gegevens of stukken komt immers in beginsel geen betekenis toe, ook al zijn die gegevens of stukken verstrekt voordat het besluit op bezwaar is genomen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien de betrokkene aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn waren te verstrekken. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Het college was dan ook niet gehouden om in het kader van de toepassing van zijn bevoegdheid tot intrekking rekening te houden met de alsnog na afloop van de termijn door appellante overgelegde stukken. De stelling van appellante dat de in de bezwaarfase overgelegde stukken slechts een bevestiging vormen van een bij het college bekende situatie leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Zij heeft haar stelling dat zij de benodigde informatie al eerder had verstrekt niet onderbouwd. Bovendien is het in beginsel aan het college om te bepalen welke gegevens en stukken nodig zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Dat de verzochte stukken daarvoor nodig waren heeft appellante op zichzelf niet betwist.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7. volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Die uitspraak zal dan ook worden bevestigd. Dit leidt tevens tot het oordeel dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

Afwijzing van de aanvraag

4.9.

De periode die in het kader van bestreden besluit 2 moet worden beoordeeld loopt van

6 december 2016 tot en met 31 januari 2017.

4.10.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.11.

Appellante heeft aangevoerd dat zij voldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar vermogenssituatie in de te beoordelen periode door inzicht te geven in de ontwikkelingen rond de boedelscheiding en in de alimentatiegegevens. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de gegevens over de woonwagen niet meer van belang waren, gelet op het tijdsverloop.

4.12.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De stelling van appellante, wat daarvan ook zij, dat zij voldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar vermogenssituatie leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat het besluit tot afwijzing van de aanvraag in rechte geen stand houdt. De grondslag van het bestreden besluit houdt immers mede in dat appellante geen duidelijkheid heeft verschaft over haar inkomenssituatie. In dat verband heeft het college erop gewezen dat appellante geen, althans geen toereikende, verklaring heeft gegeven voor de geringe uitgaven van primaire levensbehoeften en voor de vele contante stortingen, die uit de overgelegde bankafschriften blijken. Verder heeft het college erop gewezen dat appellante geen inzicht heeft verschaft in de opbrengsten van haar handelsactiviteiten via de website [website] en in de wijze waarop zij het veelvuldig en kostbaar gebruik van een auto financiert. Appellante heeft deze gegevens niet betwist. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante bij haar aanvraag onvoldoende inzicht in haar inkomenssituatie heeft verstrekt, waardoor haar bijstandbehoevendheid in de te beoordelen periode niet was vast te stellen.

4.13.

Appellante heeft in dit verband naar voren gebracht dat haar per 3 februari 2017 weer bijstand is toegekend en gesteld dat haar situatie op die datum niet anders was dan daarvoor. Die stelling leidt niet tot een ander oordeel. Zoals onder 4.12 is overwogen heeft appellante immers geen duidelijkheid verschaft over haar financiële situatie in de te beoordelen periode. Daaruit volgt dat niet is vast te stellen of haar situatie in die periode gelijk was aan haar situatie op 3 februari 2017.

4.14.

Uit 4.12 en 4.13 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Die uitspraak zal dan ook worden bevestigd. Dit leidt tevens tot het oordeel dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in beide zaken geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraken 1 en 2;

  • -

    wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2019.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) V.Y. van Almelo

lh