Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
18/4365 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet gemelde gezamenlijke huishouding. Voldoende feitelijke en juridische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4365 PW, 18/5056 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 juni 2018, 17/7208 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (college)

Datum uitspraak: 30 juli 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. Plet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 20 juli 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar (nadere besluit) genomen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Plet en haar dochter, [naam dochter] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Yavuzyiğitoğlu en M.L.C. Speelman. Als tolk is verschenen J.A. Matti.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 21 januari 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Appellante staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Appellante was tot 9 augustus 2007 gehuwd met [X] (X).

Op 17 december 2001 en op 16 september 2007 zijn uit de relatie tussen appellante en X twee dochters geboren. X staat in de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] .

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante al vele jaren zou samenwonen op het uitkeringsadres met de vader van haar kinderen, X, heeft de sociale recherche van de gemeente Hellevoetsluis (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De sociale recherche heeft onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres, een buurtonderzoek gedaan in de omgeving van het uitkeringsadres, gegevens opgevraagd bij de werkgever van X en appellante op 8 september 2016 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 oktober 2016.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 27 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 november 2017 (bestreden besluit) de bijstand van appellante met ingang van 15 januari 2016 in te trekken. Daarnaast heeft het college de bijstand over de periode van 15 januari 2016 tot en met 30 juni 2017 herzien en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 24.557,64 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voeren op het uitkeringsadres. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de intrekking van bijstand over de periode van 9 september 2016 tot 27 juli 2017 betreft, het besluit van 27 juli 2017 in zoverre herroepen, en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen ten aanzien van de terugvordering. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en X in de periode van 9 september 2016 tot

27 juli 2017 het gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. De onderzoeksbevindingen bieden wel voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante en X in de periode van 15 januari 2016 tot en met 8 september 2016 het gezamenlijk hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nadere besluit de terugvordering over de periode van 15 januari 2016 tot en met 8 september 2016 vastgesteld op € 12.209,39 bruto.

4. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nadere besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

De periode in geding loopt van 15 januari 2016 tot en met 8 september 2016.

Intrekking

5.3.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandsverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandsverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

5.4.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en X kinderen zijn geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en X hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

5.5.

Appellante en X stonden in de periode in geding op verschillende adressen in de BRP ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

5.6.

Appellante heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat zij en X in de periode in geding het gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het uitkeringsadres. Deze grond slaagt niet. De volgende onderzoeksbevindingen bieden in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante en X in de periode in geding het gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het uitkeringsadres.

5.7.1.

Een getuige, woonachtig op de [adres 3] nabij het uitkeringsadres, heeft op

6 april 2016 verklaard dat appellante en X acht tot negen jaar geleden op het uitkeringsadres zijn komen wonen en dat het echt een echtpaar is. X betreedt de woning zowel aan de achterzijde als de voorzijde van de woning. Als X via de voorzijde naar binnen gaat doet hij dat met behulp van een sleutel. De getuige weet niet beter dan dat X op het uitkeringsadres woont. Appellante en X hebben een auto, een zwarte Golf. Sinds ongeveer een jaar rijden zij allebei in de zwarte Golf. De bewoonster heeft het afgelopen jaar meerdere malen gezien dat appellante X, wanneer hij ochtenddienst heeft, in de Golf naar zijn werk brengt, de rubberfabriek. Eenmaal heeft de bewoonster bij toeval gezien dat appellante X ook ophaalde bij zijn werk. X vertrekt rond 06:45 uur naar zijn werk.

5.7.2.

Een tweede getuige, woonachtig op de [adres 3] nabij het uitkeringsadres, heeft op

11 mei 2016 verklaard dat zij vanaf maart 2006 op de [adres 3] woont. Appellante en X woonden er al toen de bewoonster er kwam wonen. Appellante en X komen over als een echtpaar. Op zaterdag gaat X vaak weg met zijn oudste dochter. X gaat sinds twee tot drie jaar met behulp van een sleutel via de voordeur naar binnen. Appellante en X gebruiken beide de zwarte Golf. Ze gaan ook vaak samen weg met de auto. Een jaar geleden waren appellante en X alles opnieuw aan het inrichten en kwamen zij regelmatig met spullen thuis en dat deden ze dan samen. In het weekend ziet de bewoonster appellante en X regelmatig samen met boodschappen bij hun huis terugkomen, maar ook wel doordeweeks. Net als bij ieder normaal gezin ziet de bewoonster appellante en X regelmatig komen en gaan in hun auto, met of zonder hun kinderen.

5.7.3.

Uit de bij het uitkeringsadres in de periode van 15 januari 2016 tot en met

8 september 2016 verrichte waarnemingen is naar voren gekomen dat de op naam van X staande personenauto, een zwarte Golf, veelvuldig geparkeerd staat bij de woning van appellante. Op 18 februari 2016 is waargenomen dat de auto van X om 05:50 uur met een ijsaanslag om de hoek bij het uitkeringsadres stond geparkeerd, dat het licht op de eerste verdieping aanging terwijl de woning daarvoor nog geheel donker was, dat X om 6:32 uur de woning verliet en plaatsnam op de bijrijdersstoel van de zwarte Golf, dat appellante om
6:35 uur plaatsnam op de bestuurdersstoel van de zwarte Golf en dat appellante en X vervolgens wegrijden. Daarna is waargenomen dat appellante X afzet bij zijn werk. Op
19 februari 2016 is wederom waargenomen dat de auto van X in de vroege ochtend, om
05:55 uur, om de hoek bij het uitkeringsadres staat geparkeerd, dat het licht op de
eerste verdieping van de woning aanging, terwijl de woning daarvoor nog geheel donker was en dat appellante en X vervolgens samen met de auto vertrekken. Uit gegevens van de werkgever blijkt dat X circa tien minuten na vertrek in heeft geklokt bij zijn werkgever. Ten minste zeven keer is waargenomen dat X in de vroege ochtend de woning van appellante verliet dat het licht op de eerste verdieping van de woning aanging, terwijl woning daarvoor nog geheel donker was en dat appellante hem vanuit het uitkeringsadres met de zwarte Golf ergens heenbracht. Uit vergelijking met de gegevens van de werkgever met betrekking tot de inklok tijden staat vast dat appellante X op deze dagen naar zijn werk heeft gebracht. Ook is gebleken, na vergelijking met de gegevens van de werkgever, dat X ten minste vijf keer vanaf zijn werk direct naar de woning van appellante is gereden. Verder is waargenomen dat X ten minste zeven keer met een eigen sleutel de woning van appellante binnenging. Ten slotte is op meerdere dagen waargenomen dat X de woning van appellante verliet en vervolgens naar zijn werk vertrok. Ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat X naar haar woning kwam voordat zij hem wegbracht naar zijn werk. Dit strookt echter niet met de waarnemingen. Daarnaast heeft appellante verklaard dat zij X bij hem thuis ophaalde voordat ze hem naar zijn werk bracht, dat X alleen bij haar op bezoek kwam ten behoeve van de kinderen, en dat zij X slechts een keer naar zijn werk heeft gebracht. Ook deze verklaringen komen niet overeen met de waarnemingen. De enkele verklaring van appellante dat X niet zijn hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres is in dit verband van onvoldoende betekenis om te twijfelen aan de bevindingen uit de waarnemingen. Dat geldt ook voor de ter zitting afgelegde verklaring van de dochter dat X maar een keer ’s nachts aanwezig was, nu deze niet overeenkomt met de waarnemingen.

5.8.

Appellante heeft aangevoerd dat ten onrechte geen bezoek is afgelegd aan haar woning en dat X ten onrechte niet is gehoord. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Een huisbezoek is een van de aan de sociale recherche ter beschikking staande onderzoeksmiddelen. Niet kan worden gezegd dat het onderzoek in dit geval onvolledig is geweest omdat geen huisbezoek is afgelegd. De sociale recherche heeft meerdere andere onderzoeksinstrumenten ingezet en hiervoor is al overwogen dat de daaruit verkregen bevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante en X in de periode in geding doorlopend het gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het uitkeringsadres. Hieruit volgt dat voor het college ook geen aanleiding bestond om X te horen. Indien zij een verklaring van X van belang vond, lag het op haar weg deze in te brengen. Appellante heeft dit niet gedaan.

5.9.

Uit 5.4 tot en met 5.8 volgt dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden in de periode in geding. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het college.

Terugvordering

5.10.

Appellante heeft aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen had moeten afzien van terugvordering. In dit kader heeft appellante aangevoerd dat zij als gevolg van de terugvordering niet kan sparen om naar Irak te kunnen gaan om familie te bezoeken. Daarnaast is door de terugvordering geen financiële ruimte voor deelname aan sociale activiteiten, zoals schoolreisjes en zomerkamp. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In wat appellante heeft aangevoerd, liggen geen dringende redenen besloten als in voornoemde zin.

5.11.

Tot slot heeft appellante aangevoerd dat het college het terug te vorderen bedrag niet mocht bruteren. Zij was vanwege de datum van het bestreden besluit niet in staat de terugvordering in het lopende kalenderjaar te voldoen. Ook deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2213) moet worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Gelet op 5.9 heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden en is de terugvordering niet buiten haar toedoen ontstaan. Daarom is het niet van belang dat zij door de datum van het bestreden besluit niet meer in staat was voor het einde van het kalenderjaar de terugvordering te voldoen.

5.12.

Gelet op 5.4 tot en met 5.11 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Het beroep tegen het nadere besluit is ongegrond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 juli 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.A.H. Ibrahim

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.