Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
17/2461 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1211, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm. Geen schending artikel 1 Eerste Protocol. Niet gebleken dat niet is voldaan aan proportionaliteitsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2461 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2017, 15/6759 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 23 juli 2019

Zitting heeft: P.W. van Straalen als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: D. Bakker

Namens appellante is mr. A.L. Kuit, advocaat, verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van den Berg.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om de verlaging van de bijstand van appellante als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm met ingang van 1 juli 2015.

Volgens vaste rechtspraak is bij de beëindiging of intrekking van een bijstandsuitkering het eigendomsrecht als gewaarborgd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) in het geding. Bij een verlaging van een bijstandsuitkering is dit niet anders, zodat die verlaging aan die bepaling kan worden getoetst. Nu moet worden aangenomen dat sprake is van inmenging in het eigendomsrecht van appellante, moet acht worden geslagen op de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn rechtspraak aan artikel 1 van het EP geeft. Daarbij dient allereerst beoordeeld te worden of de inmenging bij wet is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en of er een behoorlijk evenwicht (“fair balance”) is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inmenging in het eigendomsrecht een buitensporig zware last (“an individual and excessive burden”) moet dragen.

Vast staat dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde verlaging van de bijstand van appellante bij wet is voorzien. Deze verlaging vloeit immers voort uit en is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Evenmin is in geschil dat de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft. Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of de verlaging van bijstand als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm voor personen als appellante proportioneel is, dan wel in haar geval tot een “individual and excessive burden” leidt.

Dat is naar het oordeel van de Raad niet het geval.

De toepassing van de kostendelersnorm kan weliswaar aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor personen op wie de kostendelersnorm van toepassing is, maar niet zodanig dat enkel om die reden al zou moeten worden geoordeeld dat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Hierbij moet onder meer worden betrokken dat, zoals in de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW is opgemerkt, degenen die hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, kosten met elkaar kunnen delen en daardoor lagere bestaanskosten hebben. Dat is in het geval van appellante niet anders. Dat de zoon nog geen bijstand ontvangt, staat er niet aan in de weg dat hij moet worden geacht een bijdrage te kunnen leveren in de kosten.

De verwijzing naar de schulden die appellante heeft, maakt niet dat in het geval van appellante sprake is van “an individual and excessive burden”. Met de schulden wordt immers nog geen compleet beeld gegeven van de financiële situatie van appellante. Een overzicht van haar inkomsten en haar vaste lasten heeft appellante niet gegeven.

De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de kosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) D. Bakker (getekend) P.W. van Straalen