Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
19/926 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad komt, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat voortzetting van het dienstverband niet in redelijkheid van het college kon worden gevergd. De conclusie is dat het college bevoegd was betrokkene ontslag te verlenen op grond van artikel 8:8 van de AGM en van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.

4.5.

Naar aanleiding van wat betrokkene in beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad dat de gedingstukken onvoldoende aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat sprake was van een overwegend aandeel in de impasse van de zijde van het college. De aangeboden regeling moet daarom als passend worden beschouwd. Betrokkene heeft geen aanspraak op aanvullende compensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 926 AW

Datum uitspraak: 25 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

5 februari 2019, 17/3923 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

[Betrokkene] te [woonplaats], België (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens het college heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B. Damen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Duren. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. Damen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was sinds 1995 werkzaam bij de gemeente Maastricht, laatstelijk in de functie van [naam functie] voor 22 uur per week.

1.2.

Op 10 maart 2016 heeft tussen betrokkene en zijn teammanager in het bijzijn van een p&o-adviseur een planningsgesprek plaatsgevonden. Bij brief van 14 maart 2016 heeft de teammanager betrokkene gewaarschuwd dat zij het door hem in het gesprek van

10 maart 2016 gebezigde taalgebruik in gesprekken niet accepteert en een herhaling van dit gedrag voor hem niet zonder gevolgen zal blijven. Tijdens een vervolggesprek op

24 maart 2016 dat mede in het bijzijn van de algemeen manager heeft plaatsgevonden, heeft betrokkene geweigerd om over zijn functioneren te spreken en de teammanager opnieuw beschuldigd van discriminatie en pestgedrag. Verder heeft hij aangegeven dat de relatie tussen hem en zijn teammanager niet meer goed komt en gevraagd om overplaatsing naar een ander team op korte termijn.

1.3.

Op 29 maart 2016 heeft betrokkene zich ziek gemeld en op 30 maart 2016 heeft hij de bedrijfsarts bezocht. In het verslag van de bedrijfsarts is het volgende opgenomen: “Zijn reactie op de werksituatie is bovennormaal te noemen. Het is voor hem emotioneel nu niet mogelijk om met zijn werkgever te overleggen om zijn problematiek definitief op te lossen. Dit zal mogelijk dan wel leiden tot medische beperkingen. Dezelfde situatie met ook tijdelijke uitval is in 2014 ook gebeurd.” Op 14 april 2016 heeft betrokkene zijn werkzaamheden hervat.

1.4.

Bij brief van 13 april 2016 heeft het college betrokkene geïnformeerd over de rechtspositionele gevolgen van zijn houding en gedrag de afgelopen weken sinds het planningsgesprek tussen betrokkene en zijn teammanager op 10 maart 2016, waarbij betrokkene heeft aangegeven dat hij zich gepest, buitengesloten en gediscrimineerd voelt door zijn teammanager en hij niet met haar kan samenwerken. Het college heeft aangegeven dat sprake is van een impasse in de arbeidsrelatie en dat hij zich zal beraden op een definitieve oplossing die tegen de achtergrond van de langdurige voorgeschiedenis en de impasse vooralsnog is gericht op ontslag. Het college heeft betrokkene als onderdeel van het beraad in de gelegenheid gesteld zijn aantijgingen tegen zijn teammanager uiterlijk 2 mei 2016 schriftelijk met concrete feiten en gebeurtenissen te onderbouwen, zoveel als mogelijk ondersteund door bewijsstukken.

1.5.

Bij brief van 29 april 2016 heeft de gemachtigde van betrokkene gereageerd op de brief van 13 april 2016. Hierin heeft hij - kort samengevat - te kennen gegeven dat betrokkene op hem een overspannen indruk maakte. Betrokkene heeft het gevoel gepest te worden, wat samenhangt met zijn reeds jarenlang bestaande onvrede over zijn rechtspositionele situatie. Hij begrijpt niet dat hij steeds gepasseerd wordt bij sollicitaties. Verder heeft de gemachtigde laten weten dat deze zaak zich leent voor mediation. Bij brief van 13 mei 2016 heeft het college hierop een reactie gegeven.

1.6.

Op 26 juni 2016 is mediation gestart. Vervolgens heeft de bedrijfsarts een expertiseonderzoek bij Lavori aangevraagd ter beantwoording van de vraag of sprake is van ernstige beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ziektebeeld en heeft hij betrokkene per 11 juli 2016 beter gemeld. De mediation is op 8 juli 2016 zonder resultaat beëindigd. Bij brief van 8 juli 2016 heeft het college betrokkene met ingang van 12 juli 2016 buitengewoon verlof verleend in het belang van de dienst, met behoud van salaris.

1.7.

Na een voornemen hiertoe kenbaar te hebben gemaakt, waarop betrokkene zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college betrokkene bij besluit van 8 december 2016 ontslag verleend met ingang van 1 januari 2017 op grond van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Maastricht (AGM). Daarbij is een garantie op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en een aanvullende bovenwettelijke uitkering als passende regeling als bedoeld in artikel 10d:4 van de AGM toegekend.

1.8.

Bij besluit van 21 maart 2017 heeft het college overeenkomstig zijn voornemen de aanvraag van betrokkene tot toekenning van een uitkering ingevolge de WW-garantie afgewezen.

1.9.

Bij besluit van 3 november 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van betrokkene tegen het ontslagbesluit van 8 december 2016 en het besluit van 21 maart 2017 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat sprake is van een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk. Betrokkene heeft met zijn extreme gedrag en opstelling in de gesprekken van 10 en 24 maart 2016 een onwerkbare situatie gecreëerd door kenbaar te maken dat hij niet met zijn leidinggevende kan samenwerken en een overplaatsing te eisen en zijn leidinggevende zonder enige onderbouwing te beschuldigen van discriminatie en pestgedrag, waardoor hij het dringend noodzakelijke gesprek over zijn functioneren onmogelijk heeft gemaakt. Bovendien heeft betrokkene zich op 30 maart 2016 dermate intimiderend gedragen tegenover de bedrijfsarts dat deze zich genoodzaakt zag het gesprek voortijdig te beëindigen. De gedragingen van betrokkene zijn uitdrukkelijk geplaatst tegen de achtergrond van de lange voorgeschiedenis.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het ontslagbesluit en het besluit van

21 maart 2017 herroepen. Overwogen is dat ten tijde van het ontslagbesluit geen sprake was van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het college kon worden verlangd, zodat het college niet bevoegd was betrokkene ontslag te verlenen met toepassing van artikel 8:8 van de AGM. Niet gebleken is dat herplaatsing elders binnen de organisatie mogelijk is of dat van (verdere) inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is. Het college heeft daarnaar in het geheel geen onderzoek gedaan, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen.

3. In hoger beroep heeft het college zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van de AGM worden toegepast als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (uitspraak van

22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) of een impasse (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198) en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Dit impliceert dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit duidelijk moet zijn dat herplaatsing elders binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is.

4.2.

Het college is, anders dan de rechtbank, van mening dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het college kon worden verlangd. Het college heeft aangevoerd dat de gemeentelijke organisatie gedurende een lange periode problemen heeft ervaren met de houding en het gedrag van betrokkene. Dit probleem deed zich opnieuw voor in het gesprek van betrokkene met zijn teammanager op 10 maart 2016. Als het college op zoek zou gaan naar een andere plek voor betrokkene in de organisatie, zoals betrokkene heeft geëist na het gesprek op 10 maart 2016, zouden zijn houding en gedrag worden geaccepteerd en zou hij zich kunnen onttrekken aan de dringend noodzakelijke verbetering van zijn functioneren.

4.3.1.

Volgens betrokkene is zijn opstelling in het gesprek op 10 maart 2016 te verklaren doordat hem voorafgaand aan dit gesprek niet de relevante gegevens zijn overgelegd. Hij beschouwde de houding van zijn teammanager daarom als een overval. Zijn reactie is volgens hem tevens te verklaren door zijn frustratie over de negatieve uitkomst van diverse sollicitaties. De Raad is van oordeel dat deze verklaring geen rechtvaardiging biedt voor de opstelling van appellant in het gesprek op 10 maart 2016. Betrokkene heeft in de periode na het gesprek geen pogingen gedaan om tot een werkbare situatie te komen met zijn teammanager. In plaats daarvan heeft hij overplaatsing geëist. Verder heeft de bedrijfsarts op 1 april 2016 geconcludeerd dat betrokkene bovennormaal geagiteerd reageert wanneer hij spreekt over de werkverhouding met zijn direct leidinggevende. De bedrijfsarts heeft het spreekuur vroegtijdig beëindigd, mede vanwege deze reactie. De daaropvolgende mediation heeft niet geleid tot herstel van de werkverhouding.

4.3.2.

Het college heeft niet alleen betekenis mogen toekennen aan de opstelling van betrokkene vanaf 10 maart 2016, maar ook aan zijn houding en gedrag in de jaren daarvoor. In de periode vanaf 2013 is betrokkene veelvuldig gewezen op het niet naleven van werkafspraken en verlofregels en is hij aangesproken op de manier waarop hij zijn teammanager bejegent. Dit rechtvaardigt de conclusie dat betrokkene te kampen had met een zodanig structureel gedragsprobleem dat van herplaatsing binnen de organisatie geen bestendige gedragsverandering kon worden verwacht.

4.4.

Wat is overwogen onder 4.3 brengt de Raad, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat voortzetting van het dienstverband niet in redelijkheid van het college kon worden gevergd. De conclusie is dat het college bevoegd was betrokkene ontslag te verlenen op grond van artikel 8:8 van de AGM en van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.

4.5.

Naar aanleiding van wat betrokkene in beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad dat de gedingstukken onvoldoende aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat sprake was van een overwegend aandeel in de impasse van de zijde van het college. De aangeboden regeling moet daarom als passend worden beschouwd. Betrokkene heeft geen aanspraak op aanvullende compensatie.

4.6.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en
H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.R. Daman

md