Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
16/2371 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak na tussenuitspraak. Het Uwv heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. De beschikbare medische stukken geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant per 25 februari 2015. In hoger beroep is geen medische informatie overgelegd die onderbouwt dat de beperkingen van appellant op 25 februari 2015 zijn onderschat. Uitgaande van juistheid FML van 27 november 2014, met aantekening van voor appellant benodigde plaspauzes, is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de belasting van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Pas in hoger beroep is een deugdelijke medische en arbeidskundige onderbouwing gegeven. Kostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2371 WAO

Datum uitspraak: 23 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

1 maart 2016, 15/5064 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 22 augustus 2018 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2018:2590, gedaan (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Appellant heeft zijn zienswijze over deze rapporten naar voren gebracht.

Het Uwv heeft vervolgens nadere rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.

1.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op de tussenuitspraak in zijn rapport van 16 oktober 2018 toegelicht dat hij uroloog M.J. Wijffelman heeft verzocht informatie te verstrekken over de bevindingen bij zijn onderzoek uit 2014 en begin 2015 betreffende de urologische problematiek en arbeidsbelemmeringen van appellant. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van Wijffelman een aan de huisarts van appellant gerichte brief van 19 december 2014 ontvangen. Alhoewel de brief de datum van het polikliniekbezoek niet vermeldt, kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden aangenomen dat het polikliniekbezoek heeft plaatsgevonden op 19 december 2018 (bedoeld zal zijn: 2014). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat bij de primaire beoordeling de door Wijffelman genoemde gepreoccupeerde gedachten met fysieke klachten, de rugklachten, de somberheid en de buik- en bekkenbodemklachten bekend waren en meegewogen werden in de omvattende schatting van de belastbaarheid. De door Wijffelman genoemde mictieklachten (de klachten bij zaadlozing worden door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit kader als minder relevant beschouwd) werden bij de primaire beoordeling evenwel minder geëxpliciteerd. Uit de informatie van Wijffelman blijkt dat appellant veertien keer per etmaal (twaalf keer overdag, twee keer ’s nachts) gaat plassen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de informatie van Wijffelman enig objectief houvast geeft voor de behoefte van appellant zich ten tijde van de datum in geding circa zes tot zeven keer per werkdag naar het toilet te begeven om te plassen, waarbij de gewone pauzes zijn inbegrepen. Omdat deze frequentie geen urologische oorzaak heeft, kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerekend worden op het vermogen de plas enige tijd op te houden. Er is geen incontinentie. Omdat de FML geen item heeft betreffende plassen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat het aan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is of het gegeven dat appellant circa zes tot zeven keer per werkdag moet plassen relevant is bij de geduide functies.

1.3.

In een rapport van 19 oktober 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vervolgens beoordeeld of bij de geduide functies samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), medewerker intern transport (SBC-code 111220) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) gemiddeld zes keer per werkdag een sanitaire onderbreking mogelijk is. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep als uitgangspunt genomen dat er per werkdag drie pauzes zijn, en dat buiten de pauzes dus gemiddeld drie extra sanitaire onderbrekingen nodig zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft per geduide functie gemotiveerd dat extra sanitaire onderbrekingen mogelijk zijn zonder verder afbreukrisico.

1.4.

In reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 oktober 2018 heeft appellant in zijn zienswijze van 23 november 2018 benadrukt dat uit de brief van Wijffelman van 19 december 2014 blijkt dat appellant op de datum in geding van

25 februari 2015 ongeveer twaalf keer per dag moet plassen. Dat deze twaalf keer per dag door het Uwv meteen met de helft wordt verlaagd is volgens appellant dus onjuist, en wordt door hem betwist. In reactie op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 19 oktober 2018 heeft appellant gesteld dat het in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies gaat om functies waar een zekere mate van targets moet worden gehaald. Het is dan ook niet realistisch dat een werknemer die twaalf keer per dag naar de wc gaat en vervolgens tijd moet krijgen om daarvan te herstellen, de geduide functies kan vervullen.

1.5.

Naar aanleiding van de zienswijze van appellant van 23 november 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 27 november 2018 gesteld dat appellant mogelijkheden heeft, en dat die mogelijkheden in redelijkheid medisch geschat zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt gehandhaafd dat een klacht van ‘twaalf keer per dag naar de wc’ in geen geval betekent dat al die bezoeken gereserveerd moeten worden of opgespaard kunnen worden voor alleen de werkuren, nu een dag aanmerkelijk langer is. De reactie van appellant van 23 november 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gegeven de belastbaarheid op de datum in geding anders in te schatten.

1.6.

Naar aanleiding van de zienswijze van appellant van 23 november 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit het rapport van 28 november 2018 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen heeft gegeven dat de klachten zelf geen reden zijn om langer op het toilet aanwezig te zijn dan de tijd voor het urineren zelf. Daarnaast geldt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 16 oktober 2018 al heeft vermeld dat er vermogen is om de plas op te houden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens per functie gemotiveerd dat deze geschikt blijft voor appellant. Daarbij heeft hij erop gewezen dat in de functies geen sprake is van een kenmerkende belasting bij de items 1.9.7 (werken met deadlines en productiepieken) en 1.9.8

(werken met een hoog handelingstempo), dat verwacht wordt dat de werknemer in een gemiddeld tempo werkt en dat de werknemer zelf het tempo kan variëren. Specifiek ten aanzien van de onder de SBC-codes 267050, 111220 en 11334 vallende functies heeft hij opgemerkt dat er voldoende ruimte is om de gebruikelijke tijden van de toiletbezoeken in de tempowisselingen te verwerken zonder dat daarbij item 1.9.8 kenmerkend zal worden belast. Ten aanzien van de onder de SBC-code 111180 vallende functie heeft hij gesteld dat de werknemer samen met een groep van drie tot zes collega’s verantwoordelijk is voor het behalen van de weekproductie, maar dat de tijden van de toiletbezoeken geen aanleiding hoeven te zijn om buiten de groep te vallen.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Het Uwv heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met het opvragen van informatie bij uroloog Wijffelman en de in 1.2 en 1.5 vermelde rapporten alsnog een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek verricht naar de aard en ernst van de onderbuikklachten van appellant. In de tussenuitspraak was al geoordeeld dat sprake was van een zorgvuldige voorbereiding en motivering wat betreft de geclaimde psychische klachten.

2.2.

De beschikbare medische stukken geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant per 25 februari 2015. Met de klachten van appellant is voldoende rekening gehouden door beperkingen op te nemen in de FML van 27 november 2014, waarbij nog van belang is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daaraan op 16 oktober 2018 heeft toegevoegd dat appellant zes tot zeven keer per werkdag moet plassen. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, neergelegd in het rapport van 16 oktober 2018, dat twaalf keer overdag plassen neerkomt op zes tot zeven keer plassen per werkdag wordt onderschreven. Appellant heeft zijn stelling dat zijn medische situatie sinds 2012 niet is verbeterd onderbouwd door een verwijzing naar informatie van 6 februari 2014 van psycholoog/psychotherapeut H.J. Oppenheim. Deze informatie, die bekend was bij het Uwv, dateert evenwel van een jaar voor de datum in geding. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die zijn standpunt kan onderbouwen dat de verzekeringsartsen zijn beperkingen op de datum in geding van 25 februari 2015 hebben onderschat.

2.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 27 november 2014, met de daarbij behorende aantekening dat appellant zes tot zeven keer per werkdag moet plassen, is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de belasting in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. In de in 1.3 en 1.6 genoemde rapporten van 19 oktober 2018 en

28 november 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep als uitgangspunt genomen dat toiletbezoek zoveel mogelijk in de pauzes kan worden gedaan en dat er dan, uitgaande van drie werkpauzes per dag, nog gemiddeld drie extra sanitaire onderbrekingen nodig zijn. Dat uitgangspunt wordt onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat ondanks deze drie extra sanitaire onderbrekingen de geselecteerde functies nog steeds geschikt zijn voor appellant.

2.4.

Het Uwv heeft pas in hoger beroep een deugdelijke medische en arbeidskundige onderbouwing gegeven voor het bestreden besluit. Dit leidt tot de conclusie dat dit besluit niet met de door artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en dat het in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet deugdelijk was gemotiveerd. Gelet hierop is het hoger beroep gegrond en zal het bestreden besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zullen in stand worden gelaten.

3. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze worden begroot op € 1.024,- aan kosten voor rechtsbijstand in beroep en € 1.280,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.304,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 juni 2015;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.304,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) R.L. Rijnen

md