Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
18/2854 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens plichtsverzuim. Nevenactiviteiten die een directe relatie hebben met zijn taken van vergunningverlener en om die reden verboden zijn. Appellant heeft deze nevenactiviteiten niet gemeld en hij heeft hiervoor geen toestemming gevraagd, wat in strijd is met artikel 15:1e van de AGZ. Gevraagd en ontvangen privébetalingen in het kader van de werkzaamheden. Belangenverstrengeling wat strijdig is met de gedragsregels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2854 AW

Datum uitspraak: 25 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
16 april 2018, 17/4109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.F.R. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. S.E.H. van Thoor, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Eisenberger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Thoor en B. Imhann.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 1 september 1993 in dienst van de gemeente Zaanstad, laatstelijk in de functie van [naam functie]. In zijn functie was appellant belast met de beoordeling van aanvragen van omgevingsvergunningen en vergunningverlening.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een collega van appellant ontstond bij het college een vermoeden van integriteitsschending door appellant. Het sectorhoofd [naam afdeling], de adviseur Personeel en Organisatie en de coördinator integriteit hebben op 22 september 2016 een gesprek gevoerd met appellant. Aansluitend aan het gesprek is appellant geschorst en is hem te kennen gegeven dat een integriteitsonderzoek wordt gestart.

1.3.

Nadat het college zijn voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 6 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 augustus 2017 (bestreden besluit), appellant met toepassing van artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Zaanstad (AGZ) wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Dit plichtsverzuim houdt in dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het uitoefenen van nevenactiviteiten die een directe relatie hebben met zijn taken van vergunningverlener en om die reden verboden zijn. Appellant heeft deze nevenactiviteiten niet gemeld en hij heeft hiervoor geen toestemming gevraagd, wat in strijd is met artikel 15:1e van de AGZ. Daarnaast heeft appellant voor meerdere projecten in het kader van deze nevenwerkzaamheden privébetalingen gevraagd en ontvangen. Hiermee heeft appellant zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling wat strijdig is met de gedragsregels.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Naar aanleiding van de primaire grond dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven wegens een motiveringsgebrek overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak (uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden hoeft in te gaan, maar zich kan beperken tot de kern daarvan. In het licht van deze rechtspraak is de rechtbank in haar motiveringsplicht niet tekortgeschoten. Ook de Raad beperkt zich tot de kern van de gronden die appellant naar voren heeft gebracht.

4.2.

Appellant voert aan dat het college bij het gesprek van 22 september 2016 in strijd heeft gehandeld met het Onderzoeksprotocol Integriteitschending Zaanstad (OIZ), als gevolg waarvan belangrijke - processuele - waarborgen zijn geschonden. Hierdoor moet het
tijdens - en rechtstreeks voortvloeiende uit - dit gesprek verkregen bewijs aangemerkt worden als onrechtmatig verkregen bewijs. Gelet op de ernst van deze schending is geen plaats voor toepassing van de indruisregel, zodat het aldus verkregen bewijs buiten beschouwing moet blijven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat het gesprek van 22 september 2016 moet worden beschouwd als een informatief gesprek. Aanleiding voor dit gesprek was een melding van een vermoeden van integriteitsschending. Alvorens een nader onderzoek te starten heeft het college met appellant gesproken over dit gerezen vermoeden en is appellant gevraagd om opheldering. Indien gerechtvaardigde twijfel aan de integriteit en/of betrouwbaarheid van de ambtenaar bestaat, mag van de ambtenaar worden verlangd dat hij die twijfel wegneemt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8813). Er bestaat voorts geen rechtsregel op grond waarvan een bestuursorgaan, in de hier gegeven omstandigheden, is gehouden een ambtenaar expliciet te wijzen op de mogelijkheid van bijstand. Daar komt bij dat appellant op 13 oktober 2016, in het bijzijn van zijn - toenmalige - gemachtigde en nadat hij een deel van het gesprek had teruggeluisterd, het gespreksverslag voor akkoord heeft ondertekend. Uit dit gespreksverslag blijkt dat appellant vrijwel direct na aanvang van het gesprek heeft erkend dat hij buiten zijn werk om soms tegen betaling tekeningen en schetsen maakt voor bewoners van de gemeente Zaanstad. Vervolgens heeft appellant (deels) openheid van zaken gegeven. Verder blijkt uit het verslag dat, nadat appellant heeft laten weten dat hij er met iemand, bijvoorbeeld een jurist van de vakbond, over wil praten, niet meer - inhoudelijk - is gesproken over de melding en het vermoeden van integriteitsschending en het gesprek is afgerond. Ook heeft appellant op

29 september 2016, op eigen initiatief, zijn verklaring van 22 september 2016 per e-mail bevestigd, spijt betuigd en later alsnog besloten om medewerking te verlenen aan het onderzoek.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de verweten gedragingen heeft begaan, dat deze gedragingen plichtsverzuim opleveren en dat hem dat plichtsverzuim is toe te rekenen. Appellant voert in hoger beroep opnieuw aan dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant is in zijn hoedanigheid van medewerker Vergunningverlening direct betrokken bij het proces van vergunningverlening. Gelijktijdig heeft hij als privépersoon buiten werktijd en tegen een contraprestatie voor inwoners van de gemeente Zaandam uitgewerkte bouwtekeningen gemaakt die in het kader van de vergunningverlening werden beoordeeld door de gemeente. De nevenwerkzaamheden hebben aldus een directe relatie met zijn werkzaamheden als ambtenaar. Hierdoor heeft appellant gehandeld in strijd met de gedragsregels van de gemeente Zaandam. De verweten gedragingen hebben zich over een periode van jaren voorgedaan, zodat het plichtsverzuim moet worden aangemerkt als doorgaand normoverschrijdend gedrag. Dat appellant slechts in een beperkt aantal gevallen voor zijn tekeningen - enige vorm van - betaling heeft gevraagd en ontvangen, noch het gegeven dat deze vergoedingen niet in verhouding stonden tot de tijdsinvestering die met het maken van de tekeningen gemoeid was, doet af aan aard en ernst van het plichtsverzuim. Dat appellant zich bewust was van zijn onjuiste handelen blijkt uit zijn verklaring dat hij geen toestemming voor zijn nevenactiviteit heeft gevraagd, omdat hij wist dat deze toestemming zou worden geweigerd. Het betoog van appellant dat binnen de afdeling een zekere cultuur heerste, waarbij het gebruikelijk was om tekeningen voor inwoners te maken, kan het handelen van appellant niet verontschuldigen. Appellant blijft immers verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Overigens heeft het college in dit kader aangevoerd dat het hierbij hooguit kan gaan om het maken van globale schetsen in het zogeheten vooroverleg met een aanvrager.

4.4.

Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel op grond waarvan niet tot onvoorwaardelijk strafontslag kan worden overgegaan, slaagt evenmin. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De in het informatieve gesprek van 22 september 2016 gemaakte opmerking dat medewerking door appellant altijd positief is, kan niet als een zodanige toezegging worden opgevat dat hieruit de gerechtvaardigde verwachting kon worden ontleend dat geen onvoorwaardelijk strafontslag zou worden verleend.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2019.


(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.R. Daman

md