Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2498

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
18/2491 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang. Keuzevrijheid college neemt niet weg dat een bestuursorgaan in een geval als dit wel enig inzicht moet bieden en moet onderbouwen waarom de keuze niet op betrokkene is gevallen. Vaste rechtspraak. Juist oordeel rechtbank dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Hoger beroep college slaagt niet. Alles bijeengenomen doorstaat de motivering van het nadere besluit de rechterlijke toets. College veroordeeld in proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/2491 AW, 18/5875 AW

Datum uitspraak: 25 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 maart 2018, 17/1585 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens het college heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.A.M. Lemeer-Smeets een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 29 oktober 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen. Betrokkene heeft daarop zijn zienswijze naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Cruijningen en mr. E.P.A. Raaphorst. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Lemeer-Smeets.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is sinds 1990 werkzaam bij de gemeente Helmond en vanaf 2005 in de functie van teammanager Groen en Afval bij de afdeling Beheer Openbare Ruimte van de dienst Stedelijke ontwikkeling en Beheer (functieschaal 11).

1.2. Als gevolg van een reorganisatie heeft er een herordening van werkzaamheden in nieuwe afdelingen en teams plaatsgevonden en zijn alle bestaande managementfuncties komen te vervallen. Op 10 mei 2016 is het Sociaal Statuut gemeente Helmond 2016-2020

(Sociaal Statuut) vastgesteld. Bij brief van 11 mei 2016 heeft het college betrokkene geïnformeerd over de belangstellingsregistratie voor de nieuwe managementfuncties.

1.3. Betrokkene heeft bij brief van 24 mei 2016 zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de functie van teammanager Integraal Beheer Openbare Ruimte (IBOR; functieschaal 12). Betrokkene heeft naar aanleiding van zijn sollicitatie een gesprek met de adviescommissie gehad, een assessment ondergaan en een gesprek met de selectiecommissie gevoerd. Op

5 juli 2016 heeft de selectiecommissie advies uitgebracht aan het college.

1.4. Bij brief van 11 juli 2016 heeft het college aan betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt hem niet in de functie te plaatsen waarvoor hij zijn belangstelling kenbaar heeft gemaakt. Betrokkene heeft hierop zijn zienswijze gegeven. De selectiecommissie heeft vervolgens een advies uitgebracht over de zienswijze van betrokkene.

1.5. Bij besluit van 21 september 2016 heeft het college de teammanagersfunctie van betrokkene definitief vervallen verklaard en betrokkene met ingang van 1 september 2016 geplaatst in de functie van Senior Technisch medewerker Beheer, Onderhoud en Planning bij de afdeling IBOR. Bij besluit van 18 april 2018 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij is geweigerd om betrokkene te benoemen in de functie van teammanager IBOR en het college opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat betrokkene voldoende procesbelang heeft, onder meer in verband met mogelijke schade. Dat inmiddels een ander is benoemd als teammanager IBOR, doet niet af aan het procesbelang van betrokkene.

Wat betreft de inhoud van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat daarin expliciet is vermeld dat de selectiecommissie de lichte voorkeur van de adviescommissie de doorslag heeft laten geven. De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat het advies van de adviescommissie doorslaggevend is geweest bij de weigering om betrokkene te benoemen in de functie van teammanager IBOR. Het college heeft dit weersproken onder verwijzing naar een nadere verklaring van de selectiecommissie van 7 februari 2018, maar deze verklaring staat lijnrecht tegenover wat in het bestreden besluit is vermeld en wat uit het dossier naar voren komt. Verder heeft het college ter zitting volgehouden dat van een schriftelijk advies van de adviescommissie geen sprake is geweest, terwijl de voorzitter van de adviescommissie, M, ter zitting als getuige heeft verklaard dat de adviescommissie schriftelijk, namelijk met de e-mail van 17 juni 2016, heeft geadviseerd over de benoembaarheid van beide kandidaten. Deze verklaring vindt steun in de door appellant overgelegde e-mail van 17 juni 2016 van H, waarbij zichtbaar een bijlage is gevoegd, waarin is vermeld ‘Hierbij de schriftelijke terugkoppeling van de adviescommissie voor: manager IBOR en Teammanager IBOR.’ De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat wel degelijk sprake is geweest van een schriftelijk advies, dat het college had kunnen en moeten overleggen.

De rechtbank is van oordeel dat het advies van de Selectiecommissie niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, nu daarin slechts is opgemerkt dat de commissie betrokkene niet het meest geschikt acht, vanwege de lichte voorkeur van de adviescommissie, terwijl het advies van de adviescommissie niet is overlegd. Op geen enkele wijze is aangegeven waarom de voorkeur zou uitgaan naar de andere kandidaat. Dit klemt volgens de rechtbank te meer nu betrokkene er terecht op heeft gewezen dat hij degene is met de meeste leidinggevende ervaring en dat er dus zwaarwegende redenen moeten zijn geweest om niet hem, maar de andere kandidaat in de geambieerde functie te plaatsen. Dat de adviescommissie geen (lichte) voorkeur heeft uitgesproken is door getuige M bevestigd. Er is enkel geadviseerd over de benoembaarheid van de kandidaten, zonder dat daarbij is aangegeven welke van beiden geschikt zou zijn. Het college heeft tot op heden – in strijd met de waarheid – volgehouden dat wel een advies is gegeven waarin een voorkeur is uitgesproken. De rechtbank acht deze handelwijze niet acceptabel en komt tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.

3. In hoger beroep heeft het college zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hoger beroep

4.1. Het college heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald, dat betrokkene bij dit geding geen procesbelang, maar louter een principieel belang heeft, omdat het bestaat uit het gecorrigeerd willen zien van een onjuiste motivering. Ter zitting van de Raad heeft het college zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad. De Raad is van oordeel dat betrokkene procesbelang heeft, reeds omdat hij wordt beloond naar schaal 11 (met uitloop naar schaal 12), terwijl de geambieerde functie een schaal 12-functie is met een hogere uitloopschaal.

Deze beroepsgrond van het college slaagt niet.

4.2. De beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure zoals hier aan de orde is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Zij is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 7 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1576.

4.3. Op de in 1.3 genoemde functie heeft naast betrokkene nog een kandidaat gesolliciteerd. Dat betekent dat het college keuzevrijheid had ten aanzien van de kandidaten. Dat neemt niet weg dat een bestuursorgaan in een geval als dit wel enig inzicht moet bieden en moet onderbouwen waarom de keuze niet op betrokkene is gevallen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3533.

4.4. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het college heeft in dat besluit vermeld, dat de selectiecommissie haar advies weliswaar overeenkomstig de procedure van het Sociaal Statuut heeft gebaseerd op vooral het gedragsgericht interview met de leden van de selectiecommissie, op het assessment en op het oordeel van de adviescommissie, maar dat daarbij aan het advies van de adviescommissie niet zonder reden doorslaggevende betekenis is toegekend. Daarmee valt de motivering van het college, dat de commissie zowel betrokkene als de andere kandidaat geschikt acht, maar in haar beoordeling de lichte voorkeur van de adviescommissie de doorslag heeft laten geven, niet te rijmen, omdat de adviescommissie volgens de verklaring van M geen (lichte) voorkeur voor de een boven de ander heeft uitgesproken. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het zorgvuldigheidsvereiste meebrengt dat de e-mail van 17 juni 2016 en de daarbij behorende bijlagen, als onderdeel van het advies van de adviescommissie bij de op de zaak betrekking hebbende stukken hadden moeten worden gevoegd. Tot slot kan niet gezegd worden dat de rechtbank aldus een indringender toets heeft aangelegd dan de terughoudende toetsing genoemd in 4.2. De rechtbank heeft immers enkel de houdbaarheid van de ook bij dit soort besluiten vereiste motivering beoordeeld.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van het college niet slaagt.

Nader besluit

4.6. De Raad zal dit besluit met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb bij de beoordeling betrekken.

4.7. Betrokkene heeft betoogd, dat de motivering van het nader besluit niet toereikend is. Ter zitting van de Raad heeft betrokkene verklaard dat die motivering, afgezet tegen de toets in 4.2 en 4.3 weliswaar nu wel voldoet aan de maatstaven, maar niet overtuigt. Betrokkene heeft in dat kader onder meer betoogd, dat de motivering van de “marginale verschillen” onvoldoende is, dat in het assessment alleen de coachingsvaardigheden en niet de managementvaardigheden als te ontwikkelen zijn genoemd en dat over de interne oriëntatie een nadere motivering ontbreekt.

4.8. De Raad volgt betrokkene hierin niet. In het nader besluit is als redengeving voor het oordeel dat betrokkene geschikt, maar niet het meest geschikt is voor de geambieerde functie, het volgende neergelegd. De managementvaardigheden van betrokkene moeten verder ontwikkeld worden; zijn oriëntatie met de rest van de organisatie lijkt erg naar binnen gericht te zijn en betrokkene laat in onvoldoende mate voorbeelden zien waaruit blijkt dat zijn managementkwaliteiten en ervaringen al voldoende zijn. Daarbij is te kennen gegeven dat het bij de managementvaardigheden gaat om zowel het terrein van leidinggeven als dat van coaching. Hieruit volgt dat de aangeduide marginale verschillen liggen op het terrein van coachings- en managementervaring. Dit vindt bevestiging in de bijlagen bij de e-mail van 17 juni 2016 waar bij ‘opleiding en training’, ‘samenwerking in een team’ en ‘bereidheid om te ontwikkelen’ de andere kandidaat volgens de gegeven scores iets beter is beoordeeld door de adviescommissie. Ook het eindoordeel laat enig verschil in het nadeel van betrokkene zien. Waar het gaat om leidinggeven toont het assessmentrapport op het vlak van coaching een ‘matig ontwikkeld’. De Raad stelt dan ook vast dat de motivering van het besluit voldoende grond vindt in genoemde stukken. Alles bijeengenomen doorstaat deze motivering de rechterlijke toets.

4.9. Uit 4.8 volgt dat het beroep van betrokkene tegen het nader besluit van 29 oktober 2018 ongegrond moet worden verklaard.

4.10. Gezien wat in 4.5 is overwogen bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.024,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het nader besluit van 29 oktober 2018 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 508,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.R. Daman

md