Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
16/7503 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zeer summiere gronden hoger beroep. Met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen als neergelegd in aangevallen uitspraak 1 wordt geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellant per 26 augustus 2015 in de FML van 7 december 2015 onjuist zijn vastgesteld, wordt eveneens onderschreven. In de resterende voorbeeldfuncties wordt de belastbaarheid van appellant niet overschreden. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en de beroepsgronden afdoende besproken. Appellant heeft in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie overgelegd die aanleiding kan zijn voor een andersluidend oordeel over zijn beperkingen op de datum in geding, 24 november 2016. De passendheid van de geselecteerde functies is voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7503 WIA, 18/1883 WIA

Datum uitspraak: 23 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

26 oktober 2016, 16/1210 (aangevallen uitspraak 1) en 23 februari 2018, 17/5171 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2018. Namens appellant is

mr. El Ahmadi verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als warehouse operator voor 38,01 uur per week. Hij heeft zich op 28 augustus 2013 ziek gemeld wegens nek- en schouderklachten.

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 14 juli 2015 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 juli 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend. Bij besluit van 10 augustus 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 26 augustus 2015 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid was.

1.3.

Bij besluit van 8 januari 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 augustus 2015 ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van 7 december 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 6 januari 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid zoals die was weergegeven in de FML van

24 juli 2015 aangevuld met beperkingen op veelvuldige deadlines of productiepieken, frequent zware lasten hanteren en hoofdbewegingen maken. Op grond van deze aangepaste FML van 7 december 2015 is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor de eerder geselecteerde functies van samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (samensteller) (SBC-code 111180), produktiemedewerker metaal en elektro-industrie

(SBC-code 111171), samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130),

elektronica monteur (nieuwbouw en onderhoud) (SBC-code 267040) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010).

1.4.

Appellant heeft zich op 24 november 2016 vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidwet ontving, ziek gemeld met psychische klachten. Op

21 december 2016 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft de fysieke beperkingen zoals die zijn vastgelegd in de FML van

7 december 2015 niet gewijzigd. In verband met de psychische klachten van appellant heeft de verzekeringsarts een beperking ten aanzien van conflicthantering aan de FML toegevoegd. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een FML van

21 december 2016. Op grond van deze FML is een arbeidsdeskundige in een rapport van

23 januari 2017 tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor de functies van samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (samensteller) (SBC-code 111180), samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130), medewerker intern transport (SBC-code 111220) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010). Bij besluit van

30 januari 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 24 november 2016 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.5.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 24 juli 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard onder verwijzing naar een rapport van 17 juli 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek voldoende zorgvuldig geweest en kan dit de conclusies ervan dragen. De rechtbank heeft in wat door appellant is aangevoerd geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant heeft gezien tijdens de hoorzitting en dossieronderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant overgelegde medische informatie van de behandelende sector, waaronder informatie van de huisarts van appellant, zijn mensendiecktherapeut, revalidatiearts en orthopedisch chirurg, bij zijn oordeel betrokken. De belasting in de voorgehouden functies overschrijdt naar het oordeel van de rechtbank de belastbaarheid van appellant niet.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden

besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanwijzingen gezien dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de ontvangen medische informatie van psychiater

T.C. de Greeff van 2 maart 2017 bij de heroverweging heeft betrokken en appellant op de hoorzitting heeft gezien. De rechtbank heeft geoordeeld dat de uitkomst van het medisch onderzoek door het Uwv voldoende is onderbouwd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 9 oktober 2017 heeft uitgelegd dat de subjectief ervaren concentratie- en geheugenproblemen op zich onvoldoende zijn om beperkingen in de FML aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder uitgelegd waarom een aanvullende urenbeperking niet aan de orde is. De rechtbank heeft de uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed kunnen volgen. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft geen aanleiding gegeven voor de conclusie dat het medisch oordeel, dat aan bestreden besluit 2 ten grondslag ligt, onjuist is. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat bestreden besluit 2 berust op een juiste arbeidskundige beoordeling.

3.1.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraken. Appellant heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 gesteld dat het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest, niet juist kan zijn omdat het Uwv geen rekening heeft gehouden met alle klachten van appellant. Zijn psychische klachten zijn onvoldoende opgenomen in de FML en de geduide functies zijn niet passend.

3.2.

Appellant heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de klachten zoals vastgesteld door zijn psychiater De Greeff. Deze klachten hadden tot meer beperkingen moeten leiden.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de bijlage bij aangevallen uitspraak 2

Aangevallen uitspraak 1

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep slechts zeer summiere gronden ingediend. Met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen als neergelegd in aangevallen uitspraak 1 wordt geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv ter voorbereiding van bestreden besluit 1 op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellant per 26 augustus 2015 in de FML van 7 december 2015 onjuist zijn vastgesteld, wordt eveneens onderschreven. Nadere informatie over de ernst van de door hem gestelde psychische klachten rond de datum in geding heeft appellant niet ingezonden.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 7 december 2015 wordt met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde resterende voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellant niet overschreden.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak 1 zal worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

4.5.

Ook het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 berust op uiterst summiere gronden. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken met juistheid de medische grondslag van de bestreden besluiten onderschreven en de beroepsgronden afdoende besproken. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Wat betreft de grond van appellant dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de bevindingen van De Greeff wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn in beroep ingediende rapport van 9 oktober 2017 overtuigend en navolgbaar heeft uiteengezet dat een beperking op de CBBS-items 1.1 (vasthouden of concentreren van de aandacht) en 1.2 (verdelen van de aandacht) wordt overwogen als de cognitieve symptomen voortvloeien uit een aangetoonde medisch objectiveerbare onderliggende ernstige pathologie, zoals ernstige hersenschade, dementie of schizofrenie met intensieve psychomedicatie. Dit is bij appellant niet aan de orde. De beschikbare medische gegevens geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie overgelegd die aanleiding kan zijn voor een andersluidend oordeel over zijn beperkingen op de datum in geding, 24 november 2016.

4.6.

Tegen de arbeidskundige beoordeling heeft appellant geen aparte beroepsgronden aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de passendheid van de geselecteerde functies voldoende is gemotiveerd in het arbeidskundige rapport van 23 januari 2017.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. Ook aangevallen uitspraak 2 zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L. Boersma

LO