Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2483

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
16/6667 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante zal in de toekomst in staat zijn arbeidsvermogen te verwerven. De in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld. Er is geen twijfel over de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede nu deze de gegevens en de bevindingen van de behandelaar van appellante als uitgangspunt heeft genomen voor haar beoordeling. Voor het inschakelen van een deskundige, zoals door appellante is verzocht, bestaat dan ook geen aanleiding. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6667 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

15 september 2016, 16/962 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 juli 2019

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 28 juni 2018 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2018:1941, gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 18 oktober 2018 zijn standpunt nader uiteengezet onder overlegging van rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Bij brief van 13 november 2018 heeft appellante een zienswijze ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 5 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.Th.G. Hegge, advocaat, en haar begeleidster A.E.H.M. Bothof-Allart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Hilten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende.

1.2.

Ter beoordeling ligt voor of voor appellante op 21 mei 2015, de dag waarop het Uwv haar aanvraag heeft ontvangen, recht is ontstaan op een uitkering op grond van hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). Daarvoor is bepalend of appellante is aan te merken als jonggehandicapte. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in ieder geval vanaf 1 maart 2013, dus ook op 21 mei 2015, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Voor het ontstaan van het recht op uitkering op

21 mei 2015 moet ook vaststaan dat appellante in een situatie verkeert waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

1.3.

In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de inschatting die de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen hebben gemaakt over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich kunnen ontwikkelen onvoldoende is onderbouwd. Het Uwv had moeten onderzoeken op welke wijze de ingezette behandeling van invloed is en met welke concrete resultaten op de mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid, de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en de mogelijkheden tot toename van bekwaamheden van appellante als bedoeld bij stap 3 van het stappenplan. Door dit na te laten is onzorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van de beslissing op bezwaar van 29 februari 2016 (bestreden besluit) en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het Uwv is opgedragen om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad in de tussenuitspraak heeft overwogen.

1.4.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv rapporten van 20 september 2018 en 18 oktober 2018 en een brief van 18 oktober 2018 ingediend.

1.5.

Appellante heeft hierop laten weten dat het Uwv niet heeft voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak. Tot op heden hebben de behandelmogelijkheden niet tot een succesvol resultaat geleid. Gevoeglijk kan ervan worden uitgegaan dat appellante blijvend niet over basale werknemersvaardigheden zal (kunnen) beschikken. Op basis van de inmiddels bekende concrete feiten en omstandigheden is het standpunt van het Uwv dat appellante in de toekomst een taak zal kunnen verrichten, achterhaald.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met de onder 1.4 genoemde stukken heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht om de inschatting over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van appellante zich kunnen ontwikkelen nader te onderbouwen. De rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn tot stand gekomen na onderling overleg.

2.2.

De te beantwoorden vraag is of het Uwv de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld. Mede gelet op wat ter zitting is besproken spitst het geschil zich daarbij toe op de onderbouwing van de prognose over de ontwikkelmogelijkheden van de basale werknemersvaardigheden van appellante.

2.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 september 2018 aan de hand van de informatie van de psychiater van GGzE van 8 januari 2016 de wijze waarop de behandeling bij het centrum persoonlijkheidsstoornis is vormgegeven toegelicht en uiteengezet hoe de behandeling van invloed is op het afnemen van de beperkingen van appellante. De behandeling is eerst gericht op het opbouwen van een werkrelatie, vervolgens op het creëren van een veilige woonsituatie en ten slotte op behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek. De belangrijkste diagnoses die bij appellante zijn gesteld betreffen een complexe PTSS (chronisch) en een persoonlijkheidsstoornis NAO met overwegend borderline kenmerken. Dit zijn aandoeningen waarvoor behandeling mogelijk is, ook voor appellante. Dat blijkt in positieve zin uit de informatie van de psychiater, terwijl uit de onderzoeksgegevens niet blijkt dat mogelijkheden voor behandeling op appellante niet van toepassing zouden kunnen zijn. De klachten van de PTSS zouden met behandeling meer naar de achtergrond kunnen schuiven. De coping van appellante kan verbeteren waardoor zij enerzijds op een meer adequate manier met haar angsten en herbeleving en kan omgaan en anderzijds ook met stress waarmee zij te maken krijgt. Hierdoor kunnen de beperkingen in taxeren van eigen mogelijkheden verbeteren. Het zelfbeeld kan verbeteren en zelfvertrouwen kan toenemen. Daardoor zal weer een verbetering van de communicatie ontstaan en zal appellante zich beter kunnen uiten, ook voor wat betreft haar eigen gevoelens. Dit kan weer een positieve invloed hebben op het hanteren van conflicten. Daarna of daarnaast zijn er behandelingen voor een borderline persoonlijkheidsstoornis en een persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. Deze behandelingen zijn gericht op het stabieler worden van de persoonlijkheid en daarmee ook op een gelijkmatiger functioneren. Wanneer appellante zelf stabieler is, zal zij mogelijk ook zelf meer structuur kunnen aanbrengen en beter kunnen omgaan met nieuwe dingen en met kritiek en op meer adequate wijze conflicten kunnen hanteren.

2.4.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 18 oktober 2018 erop gewezen dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoemde activiteiten van belang zijn voor de basale werknemersvaardigheden omdat de werknemer kritiek van de leidinggevende moet kunnen incasseren als hij wordt aangesproken op het niet nakomen van de afspraken met de werkgever. Als de werknemer een instructie van de werkgever niet goed begrijpt, moet hij zich adequaat kunnen uiten in communicatie met de werkgever. Door de behandelingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beschreven zal appellante stabieler en gelijkmatiger kunnen gaan functioneren en zal zij in het uitvoeren van de genoemde activiteiten minder beperkt kunnen zijn. Hierdoor is het mogelijk dat zij weer over basale werknemersvaardigheden kan gaan beschikken.

2.5.

In de brief van 18 oktober 2018 is uiteengezet dat, wanneer het op grond van de drie overige criteria niet is uitgesloten dat iemand arbeidsvermogen ontwikkelt, in het verlengde hiervan ook aannemelijk is dat hij, wanneer hij op enig moment aan die criteria zou voldoen, ook een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Meer kan er in prognostische zin niet over worden gezegd.

2.6.

Het Uwv heeft aldus op inzichtelijke wijze zijn standpunt onderbouwd dat bij appellante op 21 mei 2015 geen sprake is van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Daarbij zijn de feiten en omstandigheden die bij appellante op de datum in geding aan de orde zijn op concrete en deugdelijke wijze afgewogen.

2.7.

Uit de overwegingen 2.1 tot en met 2.6 volgt dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld. Wat appellante heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wajong 2015 valt af te leiden dat voor een positieve beantwoording van de vraag of de participatiemogelijkheden zich kunnen ontwikkelen moet vaststaan dat appellante in de toekomst in staat zal zijn arbeidsvermogen te verwerven. De vraag of appellante op de datum in geding verkeert in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen, moet beantwoord worden aan de hand van de gegevens die bekend zijn op de datum in geding of nadien over die datum bekend zijn geworden. Het betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op dat moment, waarbij de omstandigheid dat – achteraf bezien – die verbetering niet heeft plaatsgevonden geen rol mag spelen. Ook in de informatie van de GGzE van 8 januari 2016 zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat reeds op de datum in geding sprake was van een situatie dat appellante in een toestand verkeert waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet zouden kunnen ontwikkelen. Er is geen twijfel over de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede nu deze de gegevens en de bevindingen van de behandelaar van appellante als uitgangspunt heeft genomen voor haar beoordeling. Voor het inschakelen van een deskundige, zoals door appellante is verzocht, bestaat dan ook geen aanleiding.

2.8.

Omdat pas na de tussenuitspraak in hoger beroep sprake is van een afdoende motivering van het bestreden besluit, is er aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren, dit besluit te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

3. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt afgewezen.

4. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.024,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 1.792,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift,

2 punten voor het bijwonen van de zittingen en 0,5 punt voor het geven van een zienswijze), in totaal € 2.816,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 februari 2016;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.816,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en M. Greebe en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) J.R. Trox

OS