Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
19/502 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voor herziening om vervallenverklaring. Uit wat verzoeker heeft aangevoerd volgt niet dat de Raad een voorschrift van openbare orde niet in acht heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 502 WIA

Datum uitspraak: 18 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 januari 2018, 16/5022, en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de door de Raad op 5 januari 2018 gewezen uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2018:192).

Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij beslissing op bezwaar van 11 september 2015 is verzoeker met ingang van 2 maart 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

Bij uitspraak van 15 juni 2016 (15/5384) heeft de rechtbank Midden-Nederland de vraag of verzoeker duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht en om die reden recht heeft op een IVA-uitkering, ontkennend beantwoord en het beroep tegen het besluit van 11 september 2015 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.

1.3.

Bij uitspraak van 5 januari 2018 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van

15 juni 2016 bevestigd.

1.4.

Verzoeker heeft de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 5 januari 2018.

1.5.

Bij de uitspraak van 6 december 2018 (18/896 WIA) heeft de Raad het verzoek om herziening afgewezen.

1.6.

Bij het verzoek dat nu voorligt, is opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van

5 januari 2018. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij op 2 maart 2015 al duurzaam arbeidsongeschikt was. Bij de beoordeling van de duurzaamheid wordt door de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik gemaakt van wetenschappelijke inzichten, zo is in artikel 6, lid 6, van de Wet WIA bepaald. Verzoeker heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet aan deze eis voldoet. Dat de diagnose CVS niet doorslaggevend is geacht voor het vaststellen van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid is een misslag. Daarom is verzoeker van mening dat bij de beoordeling van de duurzaamheid door het Uwv een evidente fout is gemaakt, die door de Raad niet is onderkend. Deze fout moet hersteld worden door middel van herziening of vervallenverklaring van de uitspraak van 5 januari 2018. Verzoeker heeft verzocht om een schadevergoeding voor fysieke en immateriële schade.

2. De Raad oordeelt als volgt.

2.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1308) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren.

2.3.

In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij alle voor de beoordeling van belang zijnde medisch wetenschappelijke informatie voor de zitting van de Raad van 24 november 2017 heeft ingediend. Wat verzoeker heeft aangevoerd komt erop neer dat hij de motivering van de uitspraak van 5 januari 2018 onjuist acht omdat geen acht is geslagen op de door hem ingebrachte informatie. Daarmee is wat verzoeker heeft aangevoerd er in wezen op gericht een discussie over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 5 januari 2018 te voeren. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening.

2.4.1.

Verzoeker heeft voor zover niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor herziening om vervallenverklaring van de uitspraak van 5 januari 2018 verzocht omdat sprake is van een rechterlijke misslag dan wel een feitelijke onjuiste motivering.

2.4.2.

De Raad kan een door hem gedane uitspraak vervallen verklaren indien blijkt dat een belanghebbende aantoonbaar en in zodanige mate in zijn processuele belang is geschaad doordat de Raad een voorschrift van openbare orde niet in acht heeft genomen, dat ten gevolge daarvan moet worden vastgesteld dat de uitspraak die het betreft niet rechtmatig tot stand is gekomen (zie de uitspraak van de Raad van 14 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2606). Uit wat verzoeker heeft aangevoerd volgt niet dat de Raad een voorschrift van openbare orde niet in acht heeft genomen.

2.5.

Uit 2.2. tot en met 2.4.2 volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 januari 2018 moet worden afgewezen en dat voor vervallenverklaring van deze uitspraak evenmin aanleiding bestaat.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

4. Omdat het verzoek om herziening wordt afgewezen, is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen plaats.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om herziening af;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(gertekend) H. Achtot

GdJ