Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
17-7807 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op tweevoudige kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2011 tot en met het derde kwartaal van 2014 op de grond dat de kinderen van appellant toen niet uitwonend waren in verband met het volgen van onderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7807 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 november 2017, 16/2285 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 18 juli 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.T.M. Oudenhoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Herder. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 17/7809 AOW. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is gehuwd met [naam 1] , met wie hij twee dochters heeft. De echtgenote en de kinderen wonen sinds augustus 2009 in Marokko. Appellant heeft tot en met het tweede kwartaal van 2011 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor hen ontvangen.

1.2.

Bij besluit van 5 november 2012 heeft de Svb vanaf het derde kwartaal van 2011 het recht op kinderbijslag beëindigd, omdat appellant niet heeft gereageerd op een verzoek om informatie.

1.3.

In 2013 heeft appellant opnieuw kinderbijslag aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar het wonen van appellant in Nederland. Van dit onderzoek is op 28 januari 2014 een rapport gemaakt. Op 1 en 27 maart 2013 hebben ook onderzoeken plaatsgevonden door de sociaal attaché verbonden aan de Nederlandse ambassade te Rabat naar de leefsituatie van de echtgenote en de kinderen en het onderwijs. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van

27 maart 2013.

1.4.

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft de Svb medegedeeld dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag, omdat uit onderzoek is gebleken dat appellant vanaf augustus 2009 niet meer verzekerd is voor de AKW.

1.5.

Uiteindelijk is bij het bestreden besluit van 22 juni 2016 het bezwaar tegen de besluiten van 5 november 2012 en 16 oktober 2014 gegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat appellant over het vierde kwartaal van 2011 tot en het derde kwartaal van 2012 recht heeft op enkelvoudige kinderbijslag, omdat hij heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudseis. Appellant heeft geen recht op tweevoudige kinderbijslag, omdat zijn kinderen niet vanwege studieredenen uitwonend zijn. Verder is vastgesteld dat appellant over het vierde kwartaal van 2012 tot en met het derde kwartaal van 2014 geen recht heeft op kinderbijslag. Met betrekking tot deze kwartalen heeft appellant geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij heeft voldaan aan de onderhoudseis.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant over het vierde kwartaal van 2011 tot en met het derde kwartaal van 2012 geen aanspraak heeft op tweevoudige kinderbijslag. Appellant heeft ter zitting verklaard dat zijn kinderen in die periode bij hun grootmoeder woonden vanwege ziekte van zijn echtgenote. De rechtbank is van oordeel dat reeds daarom niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 7, derde lid, aanhef onder a, sub i, van de AKW. Aan verblijf bij de moeder of grootmoeder komt geen doorslaggevende betekenis toe, omdat de kinderen niet vanwege het volgen van onderwijs niet tot het huishouden van appellant behoorden. Een causaal verband tussen het uitwonend zijn en het volgen van onderwijs ontbreekt. Ten aanzien van het recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2012 tot en met het derde kwartaal van 2014 heeft de rechtbank overwogen dat appellant ter zitting heeft verklaard dat de kinderen per

1 januari 2013 weer door zijn echtgenote werden verzorgd. Wat het vierde kwartaal van 2012 betreft is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat de grootmoeder toen de verzorgster van de kinderen was. Uit de aangeleverde bankafschriften over 2012 en (deels) 2013 blijkt niet dat appellant vanaf het vierde kwartaal van 2012 en in 2013 gelden heeft overgemaakt aan de moeder van de kinderen. Over 2014 heeft appellant geen gegevens overgelegd. Dit betekent dat appellant over het vierde kwartaal van 2012 tot en met het derde kwartaal van 2014 niet aan de voor hem geldende onderhoudseis heeft voldaan en over deze kwartalen geen recht op kinderbijslag heeft.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij aanspraak heeft op tweevoudige kinderbijslag, omdat zijn kinderen om studieredenen uitwonend waren. De kinderen woonden bij grootmoeder [naam 2] , de moeder van de echtgenote van appellant en appellant heeft voldaan aan de voor tweevoudige kinderbijslag geldende onderhoudseis.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Recht op tweevoudige kinderbijslag

4.1.

In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant over het vierde kwartaal van 2011 tot en met het derde kwartaal van 2014 geen recht heeft op tweevoudige kinderbijslag, omdat zijn kinderen toen niet uitwonend waren in verband met het volgen van onderwijs.

4.2.

Ingevolge artikel 7, derde lid, sub a, van de AKW, zoals geldend ten tijde in geding, heeft de verzekerde onder voorwaarden recht op tweevoudige kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 16 jaar en door of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van de verzekerde behoort, noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander. Blijkens vaste rechtspraak moet sprake zijn van een causaal verband tussen het volgen van onderwijs en het uitwonend zijn. Zoals is overwogen in de uitspraak van 9 december 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU8086) is hiervan sprake als een wezenlijk deel van de redenen voor het uitwonend worden gelegen is in het volgen van onderwijs.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank hierover wordt ten volle onderschreven. Hetgeen namens appellant hierover in hoger beroep is aangevoerd, heeft niet tot een ander oordeel geleid. Appellant heeft dus over geen van de kwartalen in geding recht op tweevoudige kinderbijslag.

Recht op enkelvoudige kinderbijslag

4.4.

Verder is in geschil of appellant over het vierde kwartaal van 2012 tot en met het derde kwartaal van 2014 recht heeft op enkelvoudige kinderbijslag voor zijn kinderen.

4.5.

Nu niet in geschil is dat de kinderen in de in geding zijnde kwartalen niet tot het huishouden van appellant behoorden, kan appellant slechts aanspraak op kinderbijslag maken als hij aannemelijk kan maken de kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Volgens vaste rechtspraak dient de verzekerde, voor een kind dat niet tot zijn huishouden behoort, op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze ̶ met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van het kind of zijn verzorger ̶ aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij aan de onderhoudseis heeft voldaan.

4.6.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant niet aan deze vereisten heeft voldaan. Niet aannemelijk is geworden dat [naam 2] vanaf het vierde kwartaal van 2012 de verzorgster was van de kinderen. Daarvoor wordt verwezen naar het eerder genoemde rapport van 28 januari 2014, waaruit blijkt dat de echtgenote en de kinderen eind 2011 uit het ouderlijk huis van de echtgenote zijn vertrokken naar het eigen adres van de moeder van appellant. Bij de rechtbank is door appellant gesteld dat de kinderen tot het einde van 2012 bij [naam 2] verbleven en vanaf 1 januari 2013 bij zijn echtgenote. Ter zitting is appellant niet verschenen en heeft zijn advocaat op dit punt geen duidelijkheid kunnen geven. Gelet op deze wisselende verklaringen kan niet worden vastgesteld of de bijdragen die appellant in het vierde kwartaal van 2012 en het eerste en vierde kwartaal van 2013 aan [naam 2] heeft overgemaakt, kunnen worden aangemerkt als onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen.

4.7.

Appellant heeft, ook in hoger beroep, geen bewijzen van stortingen of overmakingen van geldbedragen op naam van de echtgenote ten behoeve van de kinderen in de hier in geding zijnde kwartalen overgelegd. De contante bankopnames van appellant in Marokko kunnen niet als onderhoudsbijdragen in aanmerking worden genomen, nu niet op eenvoudige wijze is te controleren of deze gelden ten goede van de kinderen zijn gekomen. De Svb is verder niet ingevolge zijn beleidsregels of anderszins gehouden om over de in geding zijnde kwartalen rekening te houden met zogenoemde fictieve onderhoudsbijdragen, aangezien appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderen gedurende een bepaalde periode bij hem hebben verbleven. Verder is niet gebleken dat appellant in de drie kwartalen voorafgaand aan zijn verblijf in Marokko heeft voldaan aan de onderhoudsbijdrage.

4.8.

Aan appellant is dan ook terecht kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2012 tot en met het derde kwartaal van 2014 geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M.A.A. Traousis

md