Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
16/5913 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2019:3329. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2019:3328, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5913 WSF

Datum uitspraak: 17 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

2 augustus 2016, 15/3807 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (Italië) (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Gabrelian, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gabrelian en mr. P.S. Folsche, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

De minister heeft vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Gabrelian en mr. Folsche. Tevens is verschenen

[naam vader] , vader van appellante. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door D.M.C. Zijlstra-Cuiper. Tevens zijn verschenen M.K. van de Leur en B.R. Wegewijs, beiden werkzaam bij de Nuffic.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 19 januari 2015 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aangevraagd voor de opleiding Business of Fashion aan [Instituut] ( [Instituut] ). [Instituut] is een particuliere onderwijsinstelling.

1.2.

Bij besluit van 4 maart 2015 heeft de minister de aanvraag van appellante afgewezen omdat de opleiding niet voldoet aan de voorwaarden die de meeneembaarheidsregeling stelt op het gebied van erkenning. Daaraan is een advies van de Nuffic ten grondslag gelegd.

1.3.

Bij besluit van 13 mei 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 maart 2015 ongegrond verklaard. De minister heeft daaraan een nader van de Nuffic verkregen advies ten grondslag gelegd. Dit advies houdt in dat de opleiding die appellante wil volgen, niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering. De opleiding leidt niet tot een diploma dat op grond van nationale wetgeving is erkend in het land waar het diploma wordt afgegeven. De opleiding is enkel erkend op grond van regionale wetgeving. Daarnaast wordt de opleiding aangeboden door een kunstinstelling. Voor het kunstonderwijs in Italië geldt dat de instelling moet zijn opgenomen in het register voor Alta Formazione Artistica e Musicale (AFAM-register) van het Italiaanse Ministerie van Onderwijs. De opleiding waarvoor appellante studiefinanciering heeft aangevraagd, komt niet voor in dit register. De opleiding is evenmin erkend door een ander land.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de door appellante gevolgde opleiding enkel op regionaal niveau is erkend. Daarnaast heeft de Nuffic aangegeven dat, hoewel de opleiding die appellante wil volgen een commerciële opleiding is, de opleiding wordt aangeboden door een kunstinstelling. Voor onderwijs aan een kunstinstelling geldt dat de instelling moet zijn opgenomen in het AFAM-register. [Instituut] komt niet voor in dit register. Erkende commerciële bacheloropleidingen vallen onder het reguliere universitaire onderwijs en zijn opgenomen in het Corsi Universitari. Een bacheloropleiding leidt tot het eerste cyclus diploma, het zogeheten Laurea. [Instituut] en de door [Instituut] aangeboden opleidingen komen evenmin voor in het Corsi Universitari. Het voorgaande betekent dat de opleiding Business of Fashion aan [Instituut] niet voldoet aan de eis van accreditatie. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies van de Nuffic ook overigens zorgvuldig tot stand gekomen. Dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de opleiding zelf, maakt dit oordeel niet anders, aangezien de Nuffic niet is gehouden een beoordeling te geven over de vergelijkbaarheid van een buitenlandse opleiding en een Nederlandse opleiding in het geval dat niet wordt voldaan aan de eis van accreditatie dan wel erkenning door een (nationale) overheid. Erkenning door een regionale instantie is dan ook in dit geval, waar sprake is van een erkenningsregeling op nationaal niveau, ontoereikend om te voldoen aan de voorwaarde van meeneembaarheid. Het enkele feit dat de CSN (de Zweedse equivalent van DUO) aan een Zweedse studente studiefinanciering heeft toegekend, betekent niet dat deze studente in een gelijke situatie als appellante verkeert. Voor toepassing van de hardheidsclausule behoefde de minister volgens de rechtbank in het voorliggende geval geen aanleiding te zien.

3. Appellante heeft – uitgebreid gemotiveerd en gedocumenteerd, maar hier kort en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat (appellantes opleiding bij) [Instituut] op grond van nationale wetgeving is geaccrediteerd en dat het diploma van appellante wordt erkend. Dat de opleiding niet is opgenomen in het AFAM-register of het Corsi Universitari betekent niet dat geen sprake zou zijn van accreditatie. [Instituut] is regionaal geaccrediteerd, in lijn met het systeem zoals dat in Italië is vormgegeven, en is dus van voldoende kwaliteit. Het niveau van de opleiding is vergelijkbaar met het niveau van modeopleidingen die in Nederland worden verzorgd door het Amsterdam Fashion Institute (AMFI) en de private instelling TMO. In ieder geval wordt voor de modeopleidingen aan TMO ook studiefinanciering verstrekt. De opleiding aan [Instituut] is door het Zweedse accreditatieorgaan erkend en dat land kent ook studiefinanciering toe aan Zweedse studenten die aan [Instituut] studeren. Het diploma geeft bovendien toegang tot opleidingen aan buitenlandse universiteiten.

4. De Raad overweegt als volgt.

De inhoud en uitleg van de wettelijke regeling

4.1.

Op grond van artikel 2.14, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 kan een student voor studiefinanciering in aanmerking komen indien hij is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland, voor zover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt, het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW. Op grond van artikel 2.14, derde lid, van de Wsf 2000 stelt de minister vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Bij zijn beoordeling in dit kader wordt de minister geadviseerd door de Nuffic. De Nuffic heeft daarvoor Algemene waarderingscriteria opgesteld aan de hand waarvan getoetst wordt of een buitenlandse opleiding voldoet aan het bepaalde in artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 en daarmee recht geeft op studiefinanciering.

4.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 22 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2560, moet artikel 2.14 van de Wsf 2000 zo worden uitgelegd dat slechts een aanspraak op studiefinanciering voor opleidingen buiten Nederland kan bestaan voor die opleidingen die in het desbetreffende buitenland behoren tot het hoger onderwijs. Dit betekent dat eerst, en alleen dan, wanneer de buitenlandse opleiding waarvoor studiefinanciering wordt aangevraagd onderdeel uitmaakt van het hoger onderwijs in dat land, aan de hand van de Algemene waarderingscriteria moet worden beoordeeld of de buitenlandse opleiding voldoet aan de criteria, gesteld in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.

De inhoud van het advies – onderwijs in Italië

4.3.

Uit de door de Nuffic gegeven adviezen en de beantwoording van de naar aanleiding daarvan door de Raad tijdens het vooronderzoek en ter zitting gestelde vragen, blijkt het volgende. Het systeem voor hoger onderwijs in Italië is niet een zogeheten binair systeem dat zich kenmerkt door een duidelijk onderscheid tussen wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs. In Italië valt, op een enkele apart benoemde uitzondering na, al het hoger onderwijs onder het universitair onderwijs. Dat kan zowel academisch onderwijs als beroepsonderwijs zijn. Het universitaire onderwijs valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Onderwijs en wordt landelijk geregistreerd in diverse registers. Het overige onderwijs, ook al is dat ingebed in een (nationaal) kwaliteitszorgsysteem met accreditatie op regionaal niveau, met toezicht van het Ministerie van Arbeid en Sociale Zaken, behoort niet tot het hoger onderwijs, maar laat zich het best vergelijken met Nederlands onderwijs op MBO-niveau. Dat dergelijke opleidingen kwalitatief in orde zijn en (internationaal) in hoog aanzien (kunnen) staan, brengt daarin geen verandering. Het behalen van een diploma op dat laatste niveau geeft in Italië formeel geen recht om te worden toegelaten tot vervolgopleidingen binnen het hoger onderwijs, zoals masteropleidingen. Aan de hand van enkele schema’s heeft Nuffic toegelicht hoe de doorstroming binnen de verschillende opleidingsniveaus is geregeld en met welke diploma’s studenten kunnen worden toegelaten tot vervolgopleidingen.

De opleiding van appellante

4.4.

Gelet op de door de Nuffic verstrekte informatie, in het bijzonder in de e-mail van de Nuffic aan de minister van 21 oktober 2017 en de bijlage bij de brief van 7 mei 2019 van de Nuffic aan de minister, alsmede de op deze stukken nader ter zitting gegeven toelichting, staat genoegzaam vast dat de door appellante gevolgde opleiding aan [Instituut] niet behoort tot het hoger onderwijs in Italië en dat het aldaar behaalde diploma geen recht geeft op toelating tot vervolgopleidingen (tweede en derde cyclus) in het hoger onderwijs in Italië. Van een uitzondering als bedoeld in 4.3 is niet gebleken. Dat het diploma in een ander land kan leiden tot toelating aan een vervolgopleiding, zoals appellante heeft betoogd, kan worden aangenomen maar leidt niet tot een andere conclusie. Dat [Instituut] in hoog aanzien staat en dat zij naar eigen zeggen haar studenten opleidingen aanbiedt op academisch niveau (undergraduate course at a master level), leidt evenmin tot een andere conclusie. De verwijzing die [Instituut] daarbij in haar brief van 23 mei 2019 heeft gebruikt naar het onderwijs in de Verenigde Staten, kan haar niet baten, nu dat onderwijs op een geheel andere wijze is georganiseerd. Dat het Zweedse accreditatieorgaan de kwaliteit en het niveau van de opleiding van appellante van voldoende niveau vindt en dat daarvoor vanuit Zweden studiefinanciering wordt verstrekt, brengt niet mee dat de opleiding vanuit het buitenland geaccrediteerd is, zoals bedoeld in de Algemene waarderingscriteria, en al evenmin dat [Instituut] daarmee in Italië tot het hoger onderwijs zou behoren.

4.5.

Uit wat is overwogen onder 4.2 tot en met 4.4 volgt dat nader onderzoek naar het niveau van appellantes opleiding aan [Instituut] niet aangewezen is en dat uit artikel 2.14 van de Wsf 2000 volgt dat appellante niet in aanmerking komt voor studiefinanciering.

Hardheidsclausule

4.6.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de afwijzing van het verzoek om studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 in overeenstemming is met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever. De minister heeft, ook indien de bijzondere omstandigheden waarin appellante verkeert worden bezien, geen aanleiding hoeven zien om aan appellante met toepassing van de hardheidsclausule studiefinanciering toe te kennen. Dat appellante een diploma behaalt aan een opleiding die in Nederland door AMFI en TMO wordt erkend en dat het aan deze laatste twee instellingen gegeven onderwijs in Nederland tot het HBO behoort, maakt dat, gegeven wat is overwogen onder 4.3, niet anders, ook niet als ervan wordt uitgegaan dat voor een modeopleiding bij TMO wél studiefinanciering kan worden verstrekt.

Conclusie

4.7.

In de loop van de procedure heeft de Nuffic haar advies uitgebreid en nader toegelicht. Door onvolledige beantwoording van gestelde vragen en ongelukkige woordkeus zijn daarbij ook misverstanden opgeroepen. Verder is gebleken dat eerder ingenomen standpunten, onder meer in het initiële advies, onjuist of niet toereikend waren onderbouwd. Dat laatste betekent dat het advies zoals dat er lag ten tijde van het bestreden besluit de zogeheten concludentietoets niet kon doorstaan (vgl. de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3538). De minister had de aanvraag van appellante dan ook niet onder verwijzing naar dat advies mogen afwijzen. Met de uitbreiding van het advies en de nadere toelichting daarop is dit gebrek hersteld. Nu aannemelijk is dat appellante daardoor niet wordt benadeeld, zal het besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand worden gelaten. De minister heeft de aanvraag van appellante om studiefinanciering op grond van artikel 2.14 van de Wsf 2000 immers terecht afgewezen. Dat brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust.

5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante voor het beroep en het hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 3.456,- voor verleende rechtsbijstand (beroepschrift, hogerberoepschrift, zittingen eerste aanleg en hoger beroep, nadere zitting hoger beroep, wegingsfactor 1,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.456,-;
- bepaalt dat de minister aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 169,-
vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.D. Alting Siberg

md