Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
17/3916 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3916 AWBZ

Datum uitspraak: 17 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2017, 16/4088 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Cordia hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Cordia en P. Kok, voorzitter van Vereniging PCV Ongerweges (Ongerweges). Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen tot een minnelijke schikking te komen.

Het zorgkantoor heeft de Raad bericht dat de door appellant overgelegde stukken er niet toe hebben geleid dat het zorgkantoor alsnog (uit coulance) bepaalde kosten heeft goedgekeurd. Appellant heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 13 maart 2019. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Cordia en Kok. Het zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 18 september 2013 heeft het zorgkantoor aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de periode van 27 juni 2013 tot en met

31 december 2013 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 21.569,81.

1.2.

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft het zorgkantoor het pgb van appellant voor de periode van 27 juni 2013 tot en met 31 december 2013 vastgesteld op € 10.298,55 en een bedrag van € 11.271,26 van appellant teruggevorderd. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen dit besluit heeft het zorgkantoor bij besluit van 2 november 2015 niet-ontvankelijk verklaard, wegens een onverschoonbare termijnoverschrijding. Het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld.

1.3.

Bij brief van 29 december 2015 heeft appellant het zorgkantoor verzocht om het besluit van 10 juni 2014 te herzien.

1.4.

Bij besluit van 18 januari 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 27 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het zorgkantoor dat verzoek afgewezen, op de grond dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar voren heeft gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zorgkantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en dat wat appellant heeft aangevoerd, niet leidt tot het oordeel dat het besluit om niet terug te komen van het besluit van 10 juni 2014 evident onredelijk is.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, vanwege zijn verstandelijke handicap, niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de ontstane situatie. Volgens appellant had het zorgkantoor zich er tijdig van moeten vergewissen dat zijn vader, ten tijde van belang de beheerder van het pgb, die verantwoordelijkheid niet kon dragen. Appellant heeft verder aangevoerd dat het evident onredelijk is om het verzoek om terug te komen van het besluit van 10 juni 2014 af te wijzen. Volgens appellant kan de terugvordering niet door hem of zijn ouders worden betaald, wat er in de praktijk op neerkomt dat dit voor rekening komt van de (overige cliënten van de) Ongerweges, de vereniging via welke de inkoop van de zorg plaatsvindt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant van 29 december 2015 strekt ertoe dat het zorgkantoor terugkomt van zijn besluit van 10 juni 2014. Het zorgkantoor heeft dit verzoek afgewezen met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, geen sprake is. De door appellant ten behoeve van zijn verzoek ingediende stukken betreffende de verantwoording van het pgb voor de periode van 27 juni 2013 tot en met 31 december 2013 hadden al voorafgaand aan het vaststellingsbesluit van 10 juni 2014 overgelegd kunnen worden. Verder is het uitgangspunt bij de Rsa dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van het pgb bij de verzekerde ligt. Dit uitgangspunt blijft ook overeind als het beheer is overgedragen aan een derde, zoals hier, ten tijde van belang, de vader van appellant. Het zorgkantoor mocht het verzoek van appellant van 29 december 2015 dan ook in beginsel afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 10 juni 2014.

4.5.1.

Gelet op wat in 4.2 is overwogen, moet nog worden beoordeeld of het handhaven van het oorspronkelijke besluit evident onredelijk is. Het besluit van 10 juni 2014 berust, voor zover hier van belang, op de grond dat de zorgkosten voor de periode 27 juni 2013 tot en met 31 december 2013 niet volledig zijn opgegeven. Het bezwaar is na afloop van de termijn ingediend en niet-ontvankelijk verklaard.

4.5.2.

Zelfs al zou met de overlegging van de bij het verzoek van 29 december 2015 gevoegde stukken en de nadien in hoger beroep overgelegde stukken de verantwoording van het pgb van appellant aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen, dan betekent dat nog niet dat het zorgkantoor ook gehouden zou zijn om van het besluit van 10 juni 2014 terug te komen. Vereist is dat in wat appellant heeft aangevoerd, aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat (het gevolg van) de weigering het onjuist gebleken besluit te herzien, evident onredelijk is. Daarvan zal doorgaans slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, is dat hier niet aan de orde.

4.6.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5.2 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) J.R. Trox

md