Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
18-1145 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanleiding voor bijstand voorafgaande aan meldingsdatum. De niet eerder ingediende aanvraag om verblijfsrecht niet in gevaar te brengen rechtvaardigt geen terugwerkende kracht. Geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waar op ontheffing arbeidsverplichting kan worden gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1145 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 februari 2018, 17/3467 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak: 23 juli 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft R.A. Krooder hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Hij staat sinds 3 mei 1994 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans Basisregistratie personen, ingeschreven op het adres van zijn ouders aan [adres] (uitkeringsadres). Met ingang van 2 mei 2014 staat ook appellante op het uitkeringsadres ingeschreven. Appellante heeft de Canadese nationaliteit. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans Justitie en Veiligheid) (staatssecretaris) heeft op 14 april 2014 aan appellante voor de periode van

15 januari 2014 tot 15 januari 2019 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsvergunning), als bedoeld in artikel 8, sub a, van de Vreemdelingenwet 2000

(Vw 2000), verleend voor verblijf als gezinslid bij appellant.

1.2.

Bij besluit van 24 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 december 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang 21 juli 2015 ingetrokken. Aan die besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met appellante, zodat appellant geen afzonderlijk subject van bijstand is.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van

10 december 2015 bij uitspraak van 26 februari 2016 ongegrond verklaard. De Raad heeft op 26 september 2017 de uitspraak van de rechtbank bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2017:3436).

1.3.

Appellanten hebben zich op 7 juni 2016 gemeld voor bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de PW. Zij hebben de aanvraag op 28 juni 2016 ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 augustus 2015.

1.4.

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft het college appellanten met ingang van 7 juni 2016 bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Daarbij heeft het college op grond van het medisch advies van Lytton van 13 februari 2014 appellant tot 20 januari 2017 ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen.

1.5.

Bij besluit van 29 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2016 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat bijstand wordt toegekend over een periode voorafgaand aan de datum van melding. Het college heeft de bezwaren tegen de arbeidsverplichtingen ongegrond verklaard, omdat er onvoldoende aanleiding is om een medisch onderzoek naar het arbeidsvermogen van appellante te verrichten. Appellant is tijdelijk ontheven van de arbeidsverplichtingen.

1.6.

De staatssecretaris heeft op 29 juli 2016, naar aanleiding van een melding van het college dat appellante een beroep op publieke middelen gedaan had, besloten het aan appellante verleende verblijfsrecht niet in te trekken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingangsdatum bijstand

4.1.

Appellanten hebben allereerst aangevoerd dat het college hen ten onrechte geen bijstand met terugwerkende kracht heeft toegekend. Appellanten hebben betoogd dat zij vanwege onduidelijkheid over het verblijfsrecht van appellante niet eerder een aanvraag om bijstand hebben gedaan om het verblijfsrecht van appellante niet in gevaar te brengen.

4.2.

Artikel 44, eerste lid, van de PW bepaalt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4215), inzake artikel 44 van de Wet werk en bijstand, dat met ingang van 1 januari 2015 is vervangen door

artikel 44 van de PW en daaraan gelijkluidend is, wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd zijn in hun situatie geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij door het college zijn afgehouden van het doen van een bijstandsaanvraag naar de norm voor gehuwden. De omstandigheid dat verlening van bijstand aan appellanten als gehuwden zou kunnen leiden tot beƫindiging van het verblijfsrecht van appellante, maakt dit niet anders. De beslissing over eventuele gevolgen voor de verblijfsvergunning van appellante is immers niet aan het college maar aan de staatssecretaris, daarbij rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van het geval van appellanten, zoals in dit geval ook is gebeurd (vergelijk de uitspraken van

26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3436 en van 16 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3264). Ondanks dat het college heeft aangeraden om toch een aanvraag om bijstand voor gehuwden te doen hebben appellanten, al dan niet op advies van hun toenmalige gemachtigde, daarvan afgezien. De gevolgen van die keuze dienen voor rekening en risico van appellanten te blijven.

Arbeidsverplichtingen

4.4.1.

In artikel 9, eerste lid van de PW zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de PW kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijke ontheffing verlenen van de arbeidsverplichtingen.

4.4.2.

Op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW zijn de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens in artikel 4, eerste lid van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.5.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellante ontheven dient te worden van de arbeidsverplichtingen wegens medische en psychische problemen. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben appellanten gewezen op het in beroep overgelegde medisch advies inzake ontheffing inburgeringsexamen van Argonaut van 7 maart 2017 en de verklaring van de huisarts van 28 maart 2017.

4.5.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft noch tijdens de intake noch in bezwaar medische stukken ingebracht ter onderbouwing van de beroepsgrond dat zij wegens medische en psychische problemen volledig arbeidsongeschikt is. Daarnaast heeft het college er terecht op gewezen dat appellante niet heeft verzocht om ontheffing van de arbeidsverplichtingen, dat er in juli 2016 en augustus 2016 diverse gesprekken zijn geweest met appellante over werk en dat appellante daarbij niet kenbaar heeft gemaakt dat zij niet zou kunnen werken. Tijdens die gesprekken heeft appellante aangetoond te solliciteren als kok en aangegeven graag te willen werken. Onder deze omstandigheden heeft het college ervan af kunnen zien appellante aan een medische keuring te laten onderwerpen. Anders dan appellanten betogen, bevatten de in beroep overgelegde medische informatie van Argonaut en de huisarts onvoldoende aanknopingspunten dat ten tijde van de besluitvorming niet in staat was de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de PW na te komen.

4.6.1.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat de rechtbank over de gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen van appellant tot 20 januari 2017 ten onrechte heeft overwogen dat sprake kan zijn van behandeling en herstel.

4.6.2.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellant heeft het college verzocht om hem met rust te laten en - zo begrijpt de Raad - vast te stellen dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 9, vijfde lid van de PW, zodat de arbeidsverplichtingen niet op hem van toepassing zijn. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat het college zijn besluitvorming heeft mogen baseren het medisch advies van Lytton. Uit dit advies blijkt dat appellant wegens lichamelijke en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Uit dit advies volgt tevens - en anders dan appellant heeft betoogd - dat hoewel gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling binnen een jaar niet is te voorzien, wel behandeling mogelijk is. Dit betekent dat uit het medisch advies van Lytton niet blijkt dat appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als hier bedoeld.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen

uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2019.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) J. Tuit