Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2386

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
17/1826 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De werkgever heeft voldoende re-integratie-inspanningen verricht. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/538 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1826 WIA

Datum uitspraak: 10 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 januari 2017, 15/8201 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wetering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1997 werkzaam geweest bij [naam werkgever B.V.] ([werkgever]) laatstelijk als op- en overslagmedewerker voor gemiddeld 32 uur per week. Op 23 april 2013 is hij voor die werkzaamheden uitgevallen. Appellant heeft op 24 februari 2014 bij het Uwv een zogeheten deskundigenoordeel aangevraagd. In dat kader heeft een arbeidsdeskundige op

18 maart 2014 een rapport uitgebracht met daarin de conclusie dat de

re-integratie-inspanningen van [werkgever] “niet geheel voldoende” zijn geweest. Volgens de arbeidsdeskundige had [werkgever] naast het oplossen van het arbeidsconflict een onderzoek in het zogeheten eerste spoor moeten doen. [werkgever] heeft dat onderzoek medio mei 2014 laten uitvoeren door het bedrijf Advies Anders. De register arbeidsdeskundige A. van Klij van Advies Anders is op grond van dat onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant, gelet op de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), niet geschikt is voor functies binnen [werkgever]. Van Klij heeft [werkgever] geadviseerd om zich voor de re-integratie van appellant te richten op werkzaamheden bij een andere werkgever, het zogeheten tweede spoor. In dat verband heeft [werkgever] appellant op 25 juni 2014 aangemeld bij re-integratiebedrijf PassusAdvies. Dit bedrijf heeft op 26 september 2014,

1 december 2014 en 8 februari 2015 over de re-integratie van appellant voortgangsrapporten opgesteld.

1.2.

Appellant heeft op 1 juni 2014 opnieuw een deskundigenoordeel bij het Uwv aangevraagd, omdat hij het niet eens is met de FML waarop de arbeidsdeskundige Van Klij zijn onderzoek van het eerste spoor heeft gebaseerd. In het kader van dat deskundigenoordeel is appellant door een arts van het Uwv gezien. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat de FML van de bedrijfsarts een correcte weergave is van de medische beperkingen van appellant. Blijkens het rapport van 23 juni 2014 is de arbeidsdeskundige van het Uwv tot de conclusie gekomen dat appellant ongeschikt is voor zijn eigen werkzaamheden en dat appellant en [werkgever] zich voor de verdere re-integratie van appellant moeten richten op het vinden van ander passend werk.

1.3.

Op 23 februari 2015 heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Naar aanleiding daarvan is hij op 12 maart 2015 door een arts van het Uwv gezien. Volgens deze arts heeft de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden van appellant adequaat ingeschat en heeft zij appellant adequaat begeleid. In het kader van de beoordeling van het re-integratieverslag is de arbeidsdeskundige van het Uwv blijkens zijn rapport van 20 april 2015 tot de conclusie gekomen dat [werkgever] voldoende

re-integratie-inspanningen heeft verricht. Wat betreft de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft de arbeidsdeskundige appellant ongeschikt geacht voor zijn eigen arbeid en geschikt geacht voor een drietal voorbeeldfuncties op grond waarvan sprake is van een loonverlies van 12,41%. Bij besluit van 21 april 2015 is appellant met ingang van gelijke datum een WIA-uitkering geweigerd en is beslist dat de re-integratie-inspanningen van [werkgever] voldoende zijn geweest waardoor [werkgever] na einde wachttijd niet meer verplicht is om het loon van appellant door te betalen.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing dat [werkgever] voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en heeft daartoe onder andere een medisch onderzoeksverslag van arts M. van Gils van Belastbaarheid.nu van 21 oktober 2015 ingebracht. Deze deskundige heeft in de conclusie van zijn rapport vermeld dat appellant met de vastgestelde beperkingen niet geschikt lijkt te zijn voor zijn laatste functie van op- en overslagmedewerker, maar dat appellant (mogelijk) wel geschikt lijkt te zijn voor de door hem eerder verrichte functie van ATM medewerker en voor de (nieuwe) functie bij [werkgever] van onderhoudsmonteur geldautomaten/engineer. Volgens de deskundige verdient deze mogelijke geschiktheid nader (arbeidsdeskundig) onderzoek.

1.5.

Bij besluit van 13 november 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2015 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 november 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 november 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen een onvolledig en/of onjuist beeld hebben gehad van de medische situatie en de daaruit voor appellant voortvloeiende medische beperkingen. Volgens de rechtbank heeft appellant geen nieuwe medische gegevens ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn medische beperkingen zijn overschat. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat [werkgever] voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat de re-integratie-inspanningen van [werkgever] onvoldoende zijn geweest. Het tweede spoor is op niets uitgelopen, omdat de opleiding tot CAD-tekenaar met de daarbij gegeven baangarantie ondeugdelijk was en [werkgever] daar (mede)verantwoordelijk voor is. Volgens appellant heeft de rechtbank hem ten onrechte verweten dat hij geen nadere medische gegevens heeft ingebracht. Daartoe heeft appellant gewezen op het rapport van Belastbaarheid.nu en naar voren gebracht dat [werkgever] had moeten laten onderzoeken of de in dat rapport genoemde functies van ATM medewerker en onderhoudsmonteur geldautomaten/engineer voor appellant geschikt waren. Tot slot heeft appellant gesteld dat hij door het niet opleggen van een loonsanctie schade heeft geleden. Ter zitting heeft appellant om vergoeding van schade verzocht vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor een weergave van het wettelijk kader dat in dit geding van toepassing is, wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 en 5.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Uit de in 1.1 genoemde rapporten van re-integratiebedrijf PassusAdvies volgt dat het tweede spoortraject is gestart met een intakegesprek gevolgd door persoonlijke gesprekken met de adviseur J. van Zutphen. Alle gesprekken en activiteiten zijn gericht geweest op het vergroten van de arbeidsmogelijkheden en het versterken van de arbeidsmarktpositie van appellant. Iedere twee tot drie weken hebben persoonlijke coachinggesprekken plaatsgevonden. Oefeningen en opdrachten hebben zich gericht op het vergroten van inzicht welke functies haalbaar kunnen zijn, alsmede op het ontwikkelen van sollicitatievaardigheden. Na het opmaken van het trajectplan is gestart met een beroepskeuze loopbaan onderzoek. Op grond van het persoonstype van appellant zijn 33 mogelijk passende functies gevonden. Na nader onderzoek op affiniteit, opleidingen met baangarantie, inhoud en duur en dergelijke zijn, gelet op de persoonlijkheid van appellant, uiteindelijk de functies van technisch tekenaar en taxichauffeur overgebleven. Appellant heeft hulp gekregen bij het opstellen van een curriculum vitae en een standaardsollicitatiebrief. Van Zutphen heeft appellant gewezen op vacatures. Uit de rapporten komt naar voren dat appellant met regelmaat – ten minste één keer per week en soms meer – heeft gesolliciteerd en dat hij bij [werkgever] de vraag heeft neergelegd of het volgen van een opleiding met baangarantie op het gebied van technisch tekenen tot de mogelijkheden behoort. Op dat verzoek heeft [werkgever] positief beslist. Appellant is medio januari 2015 met de opleiding gestart.

4.3.

Gelet op meergenoemde voortgangsrapporten van PassusAdvies, waarvan appellant de inhoud niet heeft betwist, wordt overwogen dat het tweede spoortraject moet worden aangemerkt als een goed onderbouwd en adequaat traject. Het verwijt van appellant dat [werkgever] onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht, treft geen doel. Dat achteraf is gebleken dat de opleiding van CAD-tekenaar niet voldeed omdat de cursusaanbieder zijn verplichtingen niet nakwam, kan daar niet aan afdoen alleen om het feit dat die opleiding slechts één onderdeel uitmaakte van het totale tweede spoor re-integratietraject. Het falen van de cursusaanbieder kan [werkgever] niet worden aangerekend. Uit de gedingstukken blijkt dat [werkgever] – voordat zij akkoord is gegaan met die opleiding – onderzoek heeft gedaan naar het bedrijf dat de opleiding zou gaan verzorgen, waaruit geen bijzonderheden aan het licht zijn gekomen. Ook heeft appellant [werkgever] er niet van op de hoogte gebracht dat hij ontevreden was met de gang van zaken tijdens die opleiding. Niet valt in te zien dat het verloop en de voor appellant minder gelukkige afloop van de opleiding van

CAD-tekenaar voor rekening en risico van [werkgever] is.

4.4.

Het standpunt van appellant dat [werkgever] naar aanleiding van het rapport van Belastbaarheid.nu had moeten laten onderzoeken of de in dat rapport genoemde functies van ATM medewerker en onderhoudsmonteur geldautomaten/engineer voor appellant geschikt waren, wordt niet gevolgd. Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige van 20 april 2015 heeft [werkgever] verklaard dat de functie van ATM medewerker niet opnieuw in het bedrijf wordt ingevoerd. Appellant heeft dat niet betwist. Op verzoek van [werkgever] heeft Van Klij de functie van engineer onderzocht. Hij is blijkens het rapport van 16 februari 2015 tot de conclusie gekomen dat de functie voor appellant niet passend is.

5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel is veroordeling tot vergoeding van schade vanwege het niet opleggen van een loonsanctie niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.

6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

6.3.

In het geval van appellant zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 2 juni 2015 van het tegen het besluit van 21 april 2015 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak vier jaar, één maand en acht dagen verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Het Uwv heeft binnen een half jaar op het bezwaar beslist. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening is van de Staat.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv te veroordelen tot van vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en

T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019.

(getekend) M. Greebe

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

OS