Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
16/7000 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van besluit van 31 augustus 2011. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant gestelde omstandigheden geen nieuw feit of veranderde omstandigheid opleveren als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ook is niet gebleken dat en zo ja, waarom door appellant dit standpunt niet toentertijd had kunnen worden ingenomen in een bezwaarprocedure. Besluit is niet evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7000 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 oktober 2016, 16/1911 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 juli 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Landman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 17/8136 WW en 18/3374 WW plaatsgevonden op 22 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Landman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet. Na de sluiting van het onderzoek zijn de zaken gesplitst en wordt in de zaken (afzonderlijk) uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is bij besluit van 19 oktober 2009 met ingang van 1 oktober 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Daarbij is appellant meegedeeld dat de WW-uitkering, als er niets wijzigt, tot en met 31 december 2009 loopt.

1.2.

Appellant is vervolgens toestemming verleend om gedurende de periode van
23 november 2009 tot en met 23 mei 2010 met behoud van zijn WW-uitkering van start te gaan met een eigen bedrijf.

1.3.

Op 9 maart 2010 heeft werkcoach [A] contact gehad met appellant. In de memo Werkcoaching is het volgende door [A] genoteerd:

“Volgens WWO is de maximale uitkeringsduur voor de WW bereikt op 07-01-201. In verband hiermee contact opgenomen met cliënt. Deze deelde mede bezwaar te hebben aangetekend tegen de beslissing om de maxdatum WW vast te stellen op 07-01-2010. (…) Afgesproken met cliënt, dat de afspraak voor 12-03-2010 komt te vervallen. Mocht cliënt recht hebben op een langere WW-uitkering, dan zal hij contact met mij opnemen en zal alsnog een gesprek gepland worden.”

1.4.

In de beslissing op bezwaar van 22 april 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 oktober 2009 gegrond verklaard en bepaald dat de duur van de
WW-uitkering van appellant wordt verlengd tot en met 30 november 2012.

1.5.

Na afloop van de startperiode, per 24 mei 2010, heeft appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige fulltime voortgezet.

1.6.

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 24 mei 2010 beëindigd en vastgesteld dat appellant te veel WW-uitkering heeft ontvangen over de periode vanaf 24 mei 2010. Bij besluit van 18 februari 2011 heeft het Uwv van appellant het over de periode van 24 mei 2010 tot en met 12 december 2010 onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering van € 17.626,34 bruto teruggevorderd. In de beslissing op bezwaar van 31 augustus 2011 is het bezwaar van appellant tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.

1.7.

Bij brief van 24 juli 2015 heeft appellant het Uwv verzocht het besluit van

31 augustus 2011 te herzien omdat gebleken is dat door een interne fout bij het Uwv ten onrechte geen werkcoach meer was gekoppeld aan zijn dossier waardoor contact met appellant achterwege is gebleven. Appellant kan geen enkel verwijt worden gemaakt. Bij besluit van 14 oktober 2015 is het herzieningsverzoek door het Uwv afgewezen omdat niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden waardoor de eerder genomen beslissing van 18 februari 2011 moet worden herzien.

1.8.

Bij besluit van 10 februari 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 14 oktober 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar van appellant tegen de terugvordering in de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 8 februari 2011 en
18 februari 2011 aangevoerd had kunnen en moeten worden. Appellant heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij dat niet heeft gedaan. De daarvoor door appellant genoemde omstandigheden van financiële aard volstaan volgens de rechtbank niet. Dat appellant geen inkomsten had uit de starterswerkzaamheden is evenmin een nieuw feit. Ook dat argument had appellant volgens de rechtbank in de bezwaarprocedure tegen het terugvorderingsbesluit naar voren kunnen brengen. Omdat er geen nova aan het herzieningsverzoek van appellant ten grondslag lagen, bestonden geen gronden om een terugkomen van het oorspronkelijk genomen besluit te rechtvaardigen. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het Uwv de afwijzing van het herzieningsverzoek terecht heeft gehandhaafd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunten in bezwaar en beroep herhaald en aangevoerd dat hem pas recentelijk is gebleken dat een interne communicatiefout van het Uwv heeft geleid heeft tot beëindiging en terugvordering van zijn WW-uitkering. De beslissing op bezwaar waarmee de WW-uitkering herleefde was namelijk niet doorgegeven aan het Werkbedrijf. Een behandelaar van het Uwv heeft tijdens de hoorzitting opgemerkt dat zij heeft gezien waar het fout is gegaan. Op basis van wat tijdens die hoorzitting was besproken ging appellant ervan uit dat er een positief besluit zou komen. Appellant wijst erop dat hij altijd premies heeft betaald, buiten zijn schuld werkloos is geworden en hij ten minste drie jaar recht heeft op een WW-uitkering. Appellant heeft voorts gesteld dat hem niets kan worden verweten. Hij heeft steeds conform de afspraken met het Uwv gehandeld en steeds volledig voldaan aan de verzoeken om alle relevantie inkomensinformatie te vertrekken aan het Uwv. Daarentegen heeft het Uwv niet aan zijn zorgplicht en informatieplicht voldaan. Zo heeft het Uwv appellant niet erop gewezen dat bij staking van zijn werkzaamheden voor zijn eigen bedrijf zijn WW-uitkering zou herleven. Ondanks dat het Uwv ervan op de hoogte was dat appellant geen inkomsten had met zijn eigen bedrijf moet toch de WW-uitkering worden terugbetaald. Door de handelwijze van het Uwv is appellant in financiële problemen gekomen.
3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 4 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het verzoek van appellant van 24 juli 2015 moet worden opgevat als een verzoek dat ertoe strekt dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 31 augustus 2011, waarbij het Uwv de bezwaren van appellant tegen het herzieningsbesluit van 8 februari 2011 en het terugvorderingsbesluit van 18 februari 2011 ongegrond heeft verklaard. Het Uwv heeft toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.3.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 9 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2758).

4.4.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.5.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn verzoek gesteld dat onlangs is gebleken dat de beslissing op bezwaar van 22 april 2010 waarin de duur van zijn WW-uitkering is verlengd tot en met 30 november 2012 niet is doorgegeven aan het Werkbedrijf. Daardoor is er niet een werkcoach gekoppeld aan appellant en is ten onrechte geen contact met hem opgenomen. Uwv heeft zelf deze fout erkend. Appellant valt dan ook geen enkel verwijt te maken.

4.6.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De door appellant gestelde interne communicatiefout van het Uwv waardoor geen contact is opgenomen met appellant ziet op een periode voordat het besluit van 31 augustus 2011 was genomen en betreft in zoverre dus geen nieuw feit of veranderde omstandigheid, terwijl evenmin is gebleken dat en zo ja, waarom door appellant dit standpunt niet toentertijd had kunnen worden ingenomen in een bezwaarprocedure.

4.7.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit om niet terug te komen van het besluit van 31 augustus 2011 evident onredelijk is. Appellant heeft hiertoe geen concrete feiten aangevoerd. De enkele stelling dat het hij door het handelen van het Uwv in financiële problemen is gekomen, is hiertoe onvoldoende.

4.8.

Ook wat overigens door appellant in hoger beroep is aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft neergelegd. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) W.M. Swinkels

KS