Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2366

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
18/233 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:861
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen naar gehuwde in verband met voeren gezamenlijke huishouding. Geen sprake van hoofdverblijf in zelfstandige woning. Elementaire voorzieningen te delen met gasten van bed & breakfast dan wel met appellant. Voldaan aan wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 233 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 16 juli 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 december 2017, 17/4342 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.H. Walkate, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Walkate. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.M. de Wit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 augustus 2011 een ouderdomspensioen voor een ongehuwde op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij zijn AOW-aanvraag heeft appellant opgegeven te wonen op het adres [opgegeven adres] te [woonplaats] in Duitsland (opgegeven adres).

1.2.

De Svb heeft appellant op 15 augustus 2014 een formulier 'Onderzoek woonsituatie' toegezonden. Appellant heeft dit formulier op 16 september 2014 ingevuld en aan de Svb gestuurd. Appellant heeft hierop vermeld dat op het opgegeven adres nog één ander persoon woont, [naam X] (X). Op de vraag in welke relatie hij tot deze persoon staat, heeft hij "hulp huishouding/verpleging" geantwoord. Op de vraag of sprake is van een afwijkende woonsituatie heeft hij geantwoord dat dit het geval is, namelijk "mehr familien haus/3 woningen". Appellant heeft de woonsituatie nader toegelicht en vermeld dat X gratis op het opgegeven adres woont in ruil voor hulp/verpleging en indien nodig zorg draagt voor zijn honden in geval van ziekenhuisopname.

1.3.

Naar aanleiding van het door appellant toegezonden formulier Onderzoek woonsituatie heeft de Svb appellant een formulier 'Aanvraag toeslag' toegezonden en appellant om aanvullende informatie verzocht. Appellant heeft hierop op 7 januari 2015 telefonisch contact opgenomen met de Svb. In het van dit gesprek opgemaakte telefoonrapport staat dat appellant heeft gezegd dat hij woont in een familienhaus met drie voordeuren, drie keukens en drie badkamers. Hij woont in een eigen woning. X helpt hem in de huishouding, verpleging en zorgt voor de honden als hij in het ziekenhuis ligt. Appellant wil geen toeslag aanvragen en deelt mee het formulier daarom terug te sturen. Hij heeft dat ook gedaan, maar niet dan nadat hij dit formulier had ingevuld. Op het door hem op 8 januari 2015 ingevulde formulier 'Aanvraag toeslag' vermeldt hij onder andere dat X sinds 1 juli 2007 op het opgegeven adres woont.

1.4.

De Svb heeft hierop een verdergaand onderzoek ingesteld en heeft appellant daartoe onder andere op 29 januari 2015 een formulier 'Onderzoek gezamenlijk huishouden' toegestuurd. Op het door appellant op 16 februari 2015 ondertekende formulier heeft appellant onder meer vermeld dat twee andere personen op het opgegeven adres wonen, onder wie X. Zij doet twee dagen in de week het huishouden, doet klusjes in en rond het huis, verzorgt wanneer nodig de honden, en appellant en X verzorgen elkaar bij ziekte. Daarnaast hebben twee medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Svb op 26 mei 2016 een huisbezoek afgelegd aan de woning op het opgegeven adres. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 2 juni 2016.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 21 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2017 (bestreden besluit), het

AOW-pensioen van appellant met ingang van 1 augustus 2011 te herzien naar de norm voor gehuwden of samenwonenden. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant vanaf augustus 2011 met X een gezamenlijke huishouding voert en om die reden in aanmerking komt voor een AOW-pensioen voor een gehuwde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 augustus 2011 tot en met 21 maart 2017. Appellant betwist dat hij in de te beoordelen periode met X een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

4.2.

Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4.

Het besluit tot herziening van het ouderdomspensioen van appellant is een voor hem belastend besluit. Het is daarom aan de Svb is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de Svb rust.

Hoofdverblijf in dezelfde woning

4.5.

Appellant betwist in de eerste plaats dat hij en X in de te beoordelen periode een hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Hij voert daartoe aan dat op het opgegeven adres drie zelfstandige appartementen zijn te onderscheiden. Het gaat daarbij om een hoofdwoning, welke is opgedeeld in twee zelfstandige woonruimtes en een 'Einliegerwohnung'. X heeft tot december 2011 in de Einliegerwohnung verbleven en woont sindsdien in een appartement in de hoofdwoning.

4.6.

Niet in geschil is dat de Einliegerwohnung een zelfstandige woning betreft. Dit betekent dat in de periode dat X in de Einliegerwohnung haar hoofdverblijf had, zij niet woonachtig was in dezelfde woning als appellant. Voor zover de Svb stelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat X in de periode van augustus 2011 tot december 2011 in de Einliegerwohnung haar hoofdverblijf had, gaat de Svb eraan voorbij dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat appellant en X in dezelfde woning hoofdverblijf hadden, op de Svb rust. Dat is niet komen vast te staan. Dit betekent dat het bestreden besluit een deugdelijke grondslag ontbeert voor zover het de periode augustus tot en met december 2011 betreft.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante en X in de periode van december 2011 tot en met 21 maart 2017 beiden in de hoofdwoning hoofdverblijf hadden. Partijen verschillen gelet op wat ter zitting van de Raad is besproken van mening over het antwoord op de vraag of appellant en X ieder hun hoofdverblijf hadden in een eigen in de hoofdwoning gelegen zelfstandige woning.

4.7.1.

Een zelfstandige woning is een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke voorzieningen, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet, met andere woningen worden gedeeld. Een eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn.

4.7.2.

Uit de bevindingen van het huisbezoek en het verhandelde ter zitting komt het volgende naar voren. De hoofdwoning wordt opgesplitst door een lange gang. Deze gang wordt onderbroken door een binnendeur. Aan de ene zijde van de binnendeur bevinden zich de vertrekken waar appellant verblijf houdt. Aan het einde van dit deel van de gang leidt een deur naar buiten, het erf. Aan de andere zijde van de binnendeur bevinden zich vertrekken waar X verblijf houdt, maar ook eventuele gasten van de bed & breakfast die appellant en X runnen. In dat deel van de woning bevinden zich aan de ene zijde van de gang drie slaapkamers, waarvan X er één in gebruik heeft. Aan de andere zijde van dit deel van de gang bevinden zich een woonkeuken en een badkamer met wc. Die woonkeuken en badkamer deelt X met aanwezige gasten. Aan het einde van dit deel van de gang bevindt zich een deur naar de hal, waar zich de deur naar buiten bevindt.

4.7.3.

De woonruimte waarover X de beschikking heeft, heeft geen eigen toegang. Zij deelt de toegang naar haar slaapkamer met de gasten van de bed & breakfast. Om bij haar slaapkamer te komen en om van haar slaapkamer de badkamer en keuken te bereiken, moet zij over de gang, die ook door de gasten gebruikt wordt. De gasten van de bed & breakfast wordt toegestaan gebruik te maken van de woonkeuken, de badkamer en de gang. Appellant ontvangt de gasten van de bed & breakfast in de woonkeuken, die daarmee ook door appellant wordt gebruikt als ontvangstruimte. X moet ook het gebruik van de woonkeuken en de badkamer delen met aanwezige gasten. Leidt de aanwezigheid van gasten ertoe dat X geen gebruik kan maken van de badkamer, dan is zij gelet op het verhandelde ter zitting aangewezen op het gebruik van de voorzieningen in de woonruimte van appellant. Dit geheel van feiten en omstandigheden leidt tot het oordeel dat X in de periode van december 2011 tot en met maart 2017 niet haar hoofdverblijf had in een zelfstandige woning, maar in dezelfde woning als appellant. De beroepsgrond van appellant dat hij en X ieder hun hoofdverblijf hadden in een eigen in de hoofdwoning gelegen zelfstandige woning, slaagt gelet hierop niet.

Wederzijdse zorg

4.8.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.9.

Niet in geschil is dat X zorg verleent aan appellant. In geschil is of appellant ook zorg verleent aan X. Dat is het geval en blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden. Appellant verleent X gratis onderdak. Zij mag gebruik maken van de wasmachine en droger van appellant, maar ook van de spullen van appellant die in de woonruimtes staan die bij appellant en de gasten in gebruik zijn. Bovendien mag X gebruik maken van de auto van appellant om naar haar werk te gaan. Dat de zorg van appellant voor X mogelijk niet dezelfde omvang of intensiteit heeft als de zorg van X voor appellant, is, zoals onder 4.8 wordt overwogen, niet noodzakelijk.

Conclusie

4.10.

Gelet op 4.5 slaagt het hoger beroep voor zover dit de periode van augustus 2011 tot december 2011 betreft. Gelet op 4.7.3 en 4.9 slagen de in hoger beroep aangevoerde gronden niet voor zover het de periode van december tot en met 21 maart 2011 betreft. De rechtbank heeft niet onderkend dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd voor zover dit de periode van augustus 2011 tot december 2011 betreft. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd. Ook het bestreden besluit zal, omdat dit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk is gemotiveerd, in zoverre worden vernietigd. Omdat niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld zal de Raad het besluit van 21 maart 2017, waaraan hetzelfde gebrek kleeft, in zoverre herroepen.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep, in totaal € 2.048,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 juni 2017, voor zover dit de periode van augustus 2011 tot
december 2011 betreft;

- herroept het besluit van 21 maart 2017 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats
komt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 20 juni 2017;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) S.H.H. Slaats

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ