Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
16/7076 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6459, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In- en uitschrijvingen van appellant in de brp hebben, volgens zijn eigen verklaring een instrumenteel karakter, veeleer dan weerspiegeling van de werkelijkheid. Stelling dat hij altijd in Nederland is blijven wonen, alleen volgen voor zover door het dossier op overtuigende wijze ondersteund. Svb heeft appellant ten onrechte niet verzekerd geacht over de tijdvakken 30 december 2008 tot en met 20 juni 2010 en 31 december 2010 tot en met 31 juli 2011. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door vast te stellen dat appellant met ingang van 18 oktober 2015 recht heeft op een AOW-pensioen waarop een korting wordt toegepast voor de niet-verzekerde tijdvakken, naar beneden afgerond 11 niet verzekerde jaren. Korting van 22%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/252
PJ 2019/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7076 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 oktober 2016, 16/2477 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 5 juli 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.H. Matthijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader geschrift met bijlagen ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. van der Meulen, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 12 november 2015 heeft de Svb aan appellant met ingang van 18 oktober 2015 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op dit pensioen is een korting toegepast van 34% wegens, afgerond, 17 niet verzekerde jaren. In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij altijd in Nederland heeft gewoond en dat de korting op zijn pensioen niet terecht is. Bij beslissing op bezwaar van 23 maart 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat appellant verzekerd is geweest in de periode tot 1 januari 2000. De rechtbank heeft bepaald dat aan appellant een

AOW-pensioen dient te worden toegekend met een korting van 26% en heeft bepalingen

gegeven over de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

3.1.

In hoger beroep bestrijdt appellant deze uitspraak, nu hij meent recht te hebben op een

volledig AOW-pensioen, omdat hij nooit in het buitenland heeft gewoond. Dit ondanks de

vermelding in de basisregistratie personen (brp), voorheen de gemeenschappelijke basisadministratie, van verhuizingen naar Kroatië, Brazilië en Portugal.

3.2.

De Svb heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de vraag of appellant verzekerd was in de tijdvakken 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004, 11 mei 2005 tot en met 15 november 2005, 11 maart 2006 tot en met 21 juli 2008, 30 december 2008 tot en met 20 juni 2010 en 31 december 2010 tot en met 30 juli 2015. Uit de stukken blijkt dat appellant zich over deze tijdvakken heeft laten uitschrijven uit de brp. Verder is niet gebleken dat appellant in deze tijdvakken om een andere reden dan ingezetenschap verzekerd is geweest voor de AOW. Niet uitgesloten is dat appellant desondanks verzekerd is geweest voor de AOW. Om dit aan te kunnen nemen dient appellant aannemelijk te maken dat hij in deze perioden ingezetene van Nederland is geweest dan wel dat hij op een andere grond verzekerd was.

4.2.

Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij sinds het jaar 2000 niet meer heeft gewerkt, dat hij als gevolg van een onterechte verdenking van btw-carrouselfraude gedurende lange tijd verwikkeld is geweest in een procedure tegen de belastingdienst, dat hij zijn geld op buitenlandse rekeningen heeft gezet en dat hij zich, hoewel hij in Nederland bleef wonen, uit de brp heeft laten uitschrijven om verhaal door de fiscus op zijn geld en goederen in Nederland te voorkomen. Dat appellant in de periode van 2000 tot en met 2015 gedurende enkele tijdvakken wel ingeschreven is geweest, heeft volgens appellant te maken gehad met het feit dat hij een Nederlands paspoort of een rijbewijs wilde aanvragen. Hoewel de opgelegde belastingaanslagen uiteindelijk door de rechter in stand zijn gelaten, zou de fiscus noch btw noch inkomstenbelasting hebben geïnd en ook niet met appellant in onderhandeling zijn getreden over een schikking.

4.3.

De Raad constateert dat de in- en uitschrijvingen van appellant in de brp volgens zijn eigen verklaring een instrumenteel karakter hebben gedragen, veeleer dan dat deze een weerspiegeling vormen van de werkelijkheid. Verder roept de verklaring van appellant, nog los van de verwikkelingen die hebben geleid tot het fiscale geschil, de nodige vragen op. Zo is onduidelijk waarom appellant, slechts vanwege de behoefte aan een paspoort of rijbewijs, in een periode van nog geen zes jaar vier maal een aantal maanden in de Nederlandse brp ingeschreven zou zijn geweest. Verder heeft appellant niet kunnen uitleggen waarom, nadat verplaatsing van zijn geld naar buitenlandse rekeningen en opheffing van zijn Nederlandse bedrijf reeds had plaatsgevonden, uitschrijving uit de Nederlandse brp nodig was om verhaal door de fiscus te voorkomen. Ook valt op dat appellant delen van sommige door hem overgelegde stukken onleesbaar heeft gemaakt en dat hij met betrekking tot de gestelde fiscale procedures geen stukken heeft overgelegd. Dit alles wekt de indruk dat appellant niet het achterste van zijn tong heeft laten zien.

4.4.

Een en ander brengt met zich mee dat de verklaringen van appellant met behoedzaamheid dienen te worden benaderd, en dat appellant slechts kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij altijd in Nederland is blijven wonen voor zover deze stelling door het dossier op overtuigende wijze wordt ondersteund. Ten aanzien van een beperkt deel van de periode waarover de rechtbank appellant niet verzekerd heeft geacht, is dit naar het oordeel van de Raad inderdaad het geval.

4.5.

Alles afwegende komt de Raad tot het volgende oordeel. Over het tijdvak 2000 tot 2009 bevat het dossier weliswaar een aantal gegevens over verzekeringen, lidmaatschappen, artsenbezoeken, verkeersboetes en enkele (weinig gespecificeerde) verklaringen, maar dat appellant in die periode een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft onderhouden, blijkt niet op overtuigende wijze. In november 2008 is appellant begonnen in Nederland te solliciteren. Vanaf februari 2009 was er sprake van een psychiatrische behandeling gedurende een aantal maanden. In 2009/2010 heeft appellant een voltijdse studie fiscaal recht gevolgd. De moeder van appellant verhuisde eind 2009 naar een verzorgingshuis, maar appellant heeft het huis aangehouden tot augustus 2011, klaarblijkelijk omdat hij daar zelf verbleef. Bovendien zijn er over deze periode veel bankafschriften waaruit blijkt van betalingen in Nederland die in direct verband staan met het dagelijks leven. Over de periode hierna ziet de Raad in het dossier weer onvoldoende ondersteuning voor de stelling van appellant dat hij in Nederland woonde. Namens appellant is verklaard dat hij toen vooral bij vrienden en kennissen en in caravans verbleef. Van een overtuigende ondersteuning van de stelling van appellant dat hij vanaf augustus 2011 daadwerkelijk een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland onderhield, is geen sprake.

4.6.

Het bovenstaande betekent dat de Svb appellant ten onrechte niet verzekerd heeft geacht over de tijdvakken 30 december 2008 tot en met 20 juni 2010 en 31 december 2010 tot en met 31 juli 2011. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door vast te stellen dat appellant met ingang van 18 oktober 2015 recht heeft op een AOW-pensioen waarop een korting wordt toegepast voor de niet-verzekerde tijdvakken 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004, 11 mei 2005 tot en met 15 november 2005, 11 maart 2006 tot en met 21 juli 2008 en
1 augustus 2011 tot en met 30 juli 2015, naar beneden afgerond 11 niet verzekerde jaren. Op het pensioen moet dus een korting worden toegepast van 22%.

4.7.

Op grond van wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de op het pensioen van appellant toe te passen korting 26% bedraagt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad bepalen dat de toe te passen korting 22% bedraagt.

5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.012,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de op het pensioen van appellant toe te passen korting 26% bedraagt;

  • -

    bepaalt dat deze korting 22% bedraagt;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

IvR