Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
18/1256 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant tijdens reguliere arbeidsuren aanwezig was op een bestaande werkplek. Daarvoor is van betekenis dat uit zes van de negen fysieke waarnemingen blijkt dat appellant ’s ochtends vroeg vanaf het andere adres met een koelbox in de hand, bij een bestelauto, waarop de naam van het bedrijf stond vermeld, instapte dan wel dat appellant met diezelfde bestelauto aan het einde van de middag werd teruggebracht op dat andere adres. Daarbij is vijfmaal waargenomen dat appellant werkkleding droeg. Uit deze feiten en de omstandigheid dat appellant tot en met 25 mei 2016 een werkervaringsplaats had bij het bedrijf volgt dat moet worden aangenomen dat appellant op het moment dat hij in de bestelauto stapte, op een bestaande werkplek aanwezig was. De enkele stelling van appellant dat hij na beëindiging van de werkervaringsplaats nog slechts eenmaal naar de werkplek is gegaan, en wel om bedrijfseigendommen af te geven, is onvoldoende om wat door het college is waargenomen voor onjuist te houden. Die stelling vindt geen steun in de waarnemingen. Hieruit volgt dat de veronderstelling gerechtvaardigd is dat appellant vanaf 28 juni 2016 op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Het is dan aan appellant om het tegendeel aannemelijk te maken. De enkele ontkenning van appellant dat hij toen geen werkzaamheden heeft verricht, is daartoe niet toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/269 met annotatie van Nacinovic, H.W.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1256 PW

Datum uitspraak: 18 juni 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

25 januari 2018, 16/3858 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venray (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.M. Menting, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 februari 2019 heeft mr. Menting zich teruggetrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019. Appellant is, hoewel daartoe opgeroepen in verband met vragen over de grondslag van de besluitvorming, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Meurkens-Mannens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 maart 2011 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 4 augustus 2009 stond appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, nu basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [Uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Appellant had vanaf 1 januari 2016 toestemming van het college om werkervaring op te doen bij [naam bedrijf] (bedrijf). Bij brief van 25 mei 2016 heeft het college aan appellant meegedeeld dat die toestemming per direct wordt ingetrokken.

1.3.

Naar aanleiding van twee anonieme meldingen, ontvangen op 7 maart 2016 en

14 juni 2016, dat appellant zwart zou werken en dat hij meestal op het adres [ander adres] te [woonplaats] (ander adres) verblijft, heeft een handhavingsmedewerker in opdracht van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker dossier- en internetonderzoek verricht en aan diverse instanties waaronder Waterbedrijf WML en Marktplaats, om inlichtingen verzocht. In de periode van 21 juni 2016 tot en met 24 juni 2016 zijn waarnemingen verricht met behulp van een camera en in de periode van 28 juni 2016 tot en met 12 juli 2016 zijn fysieke waarnemingen verricht. Appellant is op 12 juli 2016 gehoord, waarna aansluitend een huisbezoek aan het uitkeringsadres heeft plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 juli 2016.

1.4.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 20 juli 2016 de bijstand van appellant over de periode van 1 juni 2015 tot en met 20 juni 2016 herzien, de bijstand met ingang van 21 juni 2016 ingetrokken en met ingang van 20 juli 2016 beëindigd. Tevens heeft het college de over de periode van 1 juni 2015 tot en met 20 juni 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.248,41 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de herziening ten grondslag gelegd dat sprake is geweest van periodieke bijschrijvingen op de bankrekening van appellant en van inkomsten uit verkoop via internet die op de bijstand in mindering worden gebracht. Het college heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen duidelijkheid te bieden over zijn verblijfplaats en geen inzicht te geven in mogelijk voor het bedrijf verrichte werkzaamheden. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.5.

Bij besluit van 31 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2016 gegrond verklaard en dit besluit gewijzigd in die zin dat de bijstand over de periode van 1 juni 2015 tot en met 27 juni 2016 wordt herzien en met ingang van 28 juni 2016 wordt ingetrokken. Van appellant wordt een bedrag van € 1.987,83 teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de intrekking met ingang van 21 juni 2016 geen stand kan houden omdat een wettelijke grondslag ontbreekt voor de waarnemingen die zijn verricht met behulp van een camera. De intrekking kan volgens het college wel plaatsvinden met ingang van 28 juni 2016 op de grond dat vanaf die datum waargenomen is dat appellant vanaf het andere adres vertrok om werkzaamheden te gaan verrichten en daarna daar weer terug te komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting is nog slechts in geschil de intrekking van de bijstand van appellant per 28 juni 2016. Aan de intrekking ligt, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, uitsluitend nog ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van verrichte werkzaamheden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

De periode in geding loopt van 28 juni 2016 tot en met 20 juli 2016.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat de bevindingen van de fysieke waarnemingen, als onrechtmatig verkregen, van bewijs moeten worden uitgesloten, omdat de anonieme meldingen en het administratief vooronderzoek onvoldoende grondslag opleverden voor het instellen van een nader onderzoek en het college bovendien een minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking stond om de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand te onderzoeken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 53a van de PW is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231), kan deze algemene onderzoeksbevoegdheid steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en is daartoe dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Het staat het college in beginsel vrij om te bepalen op welke wijze hij het onderzoek verricht. Niet gebleken is dat het college daarbij jegens appellant heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De waarnemingen vonden plaats vanaf de openbare weg en waren beperkt in aantal (negen), kortdurend (maximaal 25 minuten), en vonden plaats gedurende een beperkte periode van totaal twee weken. De waarnemingen vonden dus incidenteel en niet stelselmatig plaats. Van onrechtmatig verkregen bewijs is dan ook geen sprake. Voor zover er sprake was van een inbreuk op het privéleven van appellant, vormt artikel 53a van de PW daarvoor een toereikende wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024) veronderstelt de aanwezigheid op een bestaande werkplek tijdens reguliere arbeidsuren dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht.

4.6.

Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant tijdens reguliere arbeidsuren aanwezig was op een bestaande werkplek. Daarvoor is van betekenis dat uit zes van de negen fysieke waarnemingen blijkt dat appellant ’s ochtends vroeg vanaf het andere adres met een koelbox in de hand, bij een bestelauto, waarop de naam van het bedrijf stond vermeld, instapte dan wel dat appellant met diezelfde bestelauto aan het einde van de middag werd teruggebracht op dat andere adres. Daarbij is vijfmaal waargenomen dat appellant werkkleding droeg. Uit deze feiten en de omstandigheid dat appellant tot en met 25 mei 2016 een werkervaringsplaats had bij het bedrijf volgt dat moet worden aangenomen dat appellant op het moment dat hij in de bestelauto stapte, op een bestaande werkplek aanwezig was. De enkele stelling van appellant dat hij na beëindiging van de werkervaringsplaats nog slechts eenmaal naar de werkplek is gegaan, en wel om bedrijfseigendommen af te geven, is onvoldoende om wat door het college is waargenomen voor onjuist te houden. Die stelling vindt geen steun in de waarnemingen.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat de veronderstelling gerechtvaardigd is dat appellant vanaf

28 juni 2016 op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Het is dan aan appellant om het tegendeel aannemelijk te maken. De enkele ontkenning van appellant dat hij toen geen werkzaamheden heeft verricht, is daartoe niet toereikend.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het ingediende verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.L. Boxum en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.A.H. Ibrahim