Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
17-5503 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand omdat appellante niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek. Gelet op de redelijke grond voor huisbezoek had appellante moeten meewerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5503 PW

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

28 juni 2017, 16/5433 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. de Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Boer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.A.J. Wesdijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving aanvullende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Zij staat sinds 10 mei 2012 samen met haar dochter ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een wijkagent dat hij appellante en haar ex-partner al jaren kent, zij op verschillende adressen staan ingeschreven en zij altijd bij elkaar zijn, is bij het college het vermoeden ontstaan dat appellante samenwoont met haar ex-partner. Vervolgens hebben medewerkers handhaving, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben zij onder meer dossier- en internetonderzoek gedaan, externe bronnen geraadpleegd en bij Vitens verbruiksgegevens van water opgevraagd. Het waterverbruik op het uitkeringsadres was in de periode van 28 februari 2014 tot 28 februari 2015 24 m3. Op 28 en 29 oktober 2015 heeft een medewerker handhaving waarnemingen bij het uitkeringsadres verricht. Op 3 en 17 december 2015 hebben medewerkers handhaving gesprekken met appellante gevoerd. Op 27 januari 2016 hebben twee medewerkers handhaving een onaangekondigd huisbezoek willen afleggen aan het uitkeringsadres. Appellante heeft niet meegewerkt aan het huisbezoek. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 29 januari 2016.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 augustus 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 27 januari 2016 in te trekken. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante heeft geweigerd mee te werken aan het huisbezoek. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de wijkagent heeft ontkend dat hij de melding, zoals weergegeven onder 1.2, heeft gedaan. Appellante heeft hierbij gewezen op e‑mailcorrespondentie tussen haar en de wijkagent. De Raad vat deze beroepsgrond aldus op dat appellante zich op het standpunt stelt dat het college zonder concreet signaal geen aanleiding had mogen zien om een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Ingevolge artikel 53a van de PW is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1092), kan deze bevoegdheid steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandgerechtigden en is daartoe dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist.

4.3.

Appellante heeft verder aangevoerd dat geen redelijke grond bestond voor het afleggen van het onaangekondigde huisbezoek op 27 januari 2016. Zij heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat een minder belastend middel had kunnen worden ingezet, zoals een buurtonderzoek.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden - in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van bijstand - indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat.

4.5.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.6.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, was een redelijke grond aanwezig voor het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek op 27 januari 2016. Het waterverbruik van

24 m3 over de periode van 28 februari 2014 tot 28 februari 2015 geeft twijfels over de

woon- en leefsituatie van appellante, nu blijkens gegevens van het NIBUD een verbruik van 93 m3 voor een tweepersoonshuishouden gemiddeld is. De enkele stelling van appellante dat zij en haar dochter weinig water verbruiken en het verbruik de jaren ervoor ongeveer hetzelfde was, is onvoldoende om deze twijfel weg te nemen. Daarnaast bestond na de gesprekken met appellante op 3 en 17 december 2015 nog geen helder beeld over haar

woon- en leefsituatie. Dit gegeven en het waterverbruik bevatten voldoende concrete objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs getwijfeld kon worden aan de juistheid en de volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woon- en leefsituatie.

4.7.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het college voorafgaand aan het huisbezoek diverse onderzoeken heeft uitgevoerd die minder belastend zijn voor appellante. Het verrichten van een buurtonderzoek lag - nog daargelaten of een dergelijk onderzoek voor appellante minder belastend zou zijn geweest - in het geval van appellante niet voor de hand omdat hiermee, naar het college ter zitting bij de Raad terecht heeft aangevoerd, de woon- en leefsituatie in de woning op het uitkeringsadres niet effectief kon worden geverifieerd.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat appellante ten onrechte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het huisbezoek. Zij heeft daarmee niet voldaan aan de verplichting als neergelegd in artikel 17, tweede lid, van de PW, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of appellante ten tijde hier van belang nog in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college heeft de bijstand van appellante terecht met ingang van

27 januari 2016 ingetrokken.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) E.C.R. Schut

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

lh