Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
18/3750 PW, 19/532 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:4723, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting, terugvordering op grond van artikel 58, lid 2, onder e, PW, brutering abusievelijke betaling bijstand na intrekking. Vordering buiten toedoen van appellant ontstaan, zodat het college niet in redelijkheid tot brutering kon overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3750 PW, 19/532 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 9 juli 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van
15 juni 2018, 18/118 (aangevallen uitspraak 1) en 21 december 2018, 18/2263

(aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BAMA, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Karreman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 9 november 2016 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Participatiewet (PW) met een verlaging van 20% van het netto minimumloon in verband met het ontbreken van woonkosten. Bij de aanvraag heeft appellant vermeld dat hij in een tuinhuisje in [verblijfplaats] verblijft en heeft hij als postadres het adres van de [postadres] opgegeven.

1.2.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college appellant op
19 mei 2017 verzocht uiterlijk 2 juni 2017 informatie over zijn (nacht-)verblijfplaats en bankafschriften aan te leveren. Appellant heeft hierop niet gereageerd.

1.3.

Bij besluit van 20 juni 2017 heeft het college het recht op bijstand van appellant opgeschort met ingang van 2 juni 2017. Het college heeft appellant daarbij in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 4 juli 2017 alsnog de gevraagde informatie aan te leveren. Appellant heeft hierop niet binnen de gestelde termijn gereageerd.

1.4.

Het college heeft, ondanks de opschorting van het recht op bijstand per 2 juni 2017, appellant over de maand juni 2017 een bedrag van € 666,89 als bijstand betaald.

1.5.

Bij besluiten van 17 juli 2017 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW, de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 2 juni 2017 en de over de periode van 2 juni 2017 tot en met 30 juni 2017 verstrekte bijstand van € 644,66 teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 8 december 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2017 niet-ontvankelijk verklaard en de besluiten van 17 juli 2017 gehandhaafd. Het college heeft aan de niet-ontvankelijkverklaring ten grondslag gelegd dat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 20 juni 2017 en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Verder heeft het college aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat de gevraagde informatie essentieel is voor het beoordelen van het recht op bijstand en dat appellant deze informatie niet binnen de gestelde hersteltermijn heeft overgelegd. Appellant heeft niet onderbouwd dat het niet tijdig aanleveren van de stukken hem, gelet op zijn medische en psychische gesteldheid, hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Aan de na het besluit van 17 juli 2017 alsnog verstrekte gegevens komt geen betekenis meer toe. Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien is niet gebleken.

1.7.

Bij besluit van 3 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 maart 2018 (bestreden besluit 2), heeft het college de terugvordering die op 31 december 2017 voor een bedrag van € 643,49 nog openstond gebruteerd met belasting en premies tot een bedrag van € 85,-.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

Niet-ontvankelijkverklaring

4.1.

Niet in geschil is dat het opschortingsbesluit van 20 juni 2017 op dezelfde dag is verzonden. De bezwaartermijn is daarom aangevangen op 21 juni 2017 en is op
1 augustus 2017 geëindigd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bezwaarschrift van 2 augustus 2017 na het verstrijken van de bezwaartermijn is ingediend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Met de stukken die hij in bezwaar heeft ingediend heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn medische of psychische toestand gedurende de bezwaartermijn niet in staat was bezwaar te maken of om een derde in te schakelen om zijn belangen te behartigen. Het college heeft het bezwaar tegen het opschortingsbesluit dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Intrekking

4.2.

Uit 4.1 volgt dat uitsluitend nog ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand per 2 juni 2017 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of de bijstandverlenend instantie op grond van
artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd zijn de door het college bij besluit van
20 juni 2017 aan appellant gevraagde informatie over zijn verblijfplaats en bankafschriften wel gegevens die van belang zijn voor de verlening van de bijstand. Verder staat vast dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet volledig overleggen van de gevraagde gegevens hem niet kan worden verweten. De Raad verwijst in dit verband tevens naar wat in 4.1 is overwogen over de verschoonbaarheid van het te laat indienen van het bezwaarschrift.

4.5.

De beroepsgrond dat appellant de gevraagde informatie na afloop van de gestelde termijn alsnog heeft verstrekt en dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld, treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die na het verstrijken van de gestelde termijn alsnog zijn verstrekt. Geen grond bestaat om in dit geval anders te oordelen.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 2 juni 2017 in te trekken. Wat appellant heeft aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Terugvordering

4.7.

Het college heeft in bestreden besluit 1 de terugvordering gebaseerd op artikel 58,
eerste lid, van de PW. Ter zitting van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de terugvordering had moeten worden gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW en ter zitting van de Raad dat de grondslag van de terugvordering moet worden gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW.

4.8.

Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

4.9.

Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW is onder meer geschreven voor de gevallen waarin herziening of intrekking van een toekenningsbesluit niet aan de orde is en niettemin onnodig of teveel bijstand is uitgekeerd omdat de bijstandverlenende instantie een administratieve vergissing heeft begaan bij de uitbetaling van de bijstand.

4.10.

Vastgesteld wordt dat de in 4.9 bedoelde situatie zich voordoet. Gelet op het opschortingsbesluit was er immers geen verplichting en was het niet de bedoeling dat de bijstand over juni (geheel) werd uitgekeerd. Appellant had verder redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de (volledige) uitbetaling van de bijstand in juni 2017 niet juist was, gelet op de opschorting van het recht op bijstand per 2 juni 2017 en de omstandigheid dat hij de gevraagde gegevens nog niet had verstrekt. Het college was dus bevoegd tot terugvordering van het onder 1.5 genoemde bedrag.

4.11.

Appellant heeft aangevoerd dat dringende redenen bestaan om van terugvordering af te zien. Appellant heeft na de intrekking een zwervend bestaan geleid waarbij geen oplossing was voor de kosten van levensonderhoud die hij maandelijks moest betalen.

4.12.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.

4.13.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is. In dit verband is van belang dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan en dat appellant in dat kader als schuldenaar bescherming heeft, of deze zo nodig kan inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ook overigens is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4.14.

Appellant heeft overigens de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

Aangevallen uitspraak 2: brutering

4.15.

Ingevolge artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW kunnen loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.

4.16.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2461) moet worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

4.17.

Het college heeft in dit geval niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van de in
artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering is ontstaan buiten toedoen van appellant. Appellant voert aan dat hem niet kan worden verweten dat de vordering niet in het kalenderjaar is terugbetaald. Deze grond slaagt. Appellant heeft na de intrekking geen bijstand meer ontvangen en hij heeft, afgezien van de in september en oktober 2017 verleende, en in december 2017 weer teruggevorderde, voorschotten tot een bedrag van in totaal € 1.200,-, nauwelijks inkomen ontvangen in de rest van 2017. Op grond hiervan kan het appellant niet verweten worden dat de betaling van de schuld niet reeds in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft is voldaan. Bestreden besluit 2 is dan ook in zoverre genomen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

Conclusie

4.18.

Uit 4.2 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

4.19.

Uit 4.15 tot en met 4.17 volgt dat voor brutering van de terugvordering geen plaats is. Dit betekent dat aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en bestreden besluit 2 vernietigen. Nu geen andere beslissing mogelijk is zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 3 januari 2018 herroepen.

Kosten

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, op € 1.024,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.072,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 maart 2018;

  • -

    herroept het besluit van 3 januari 2018 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 15 maart 2018;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.072,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 174,-.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.A.H. Ibrahim