Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
18/2514 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2514 ANW

Datum uitspraak: 8 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van

15 februari 2018, 17/4320 ANW

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] , Marokko (verzoekster)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft bij een op 30 april 2018 door de Raad ontvangen brief verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:682.

De Svb heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.

Verzoekster heeft een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Verzoekster is niet verschenen. Het Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 23 december 2011 heeft de Svb geweigerd verzoekster een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toe te kennen. Het door verzoekster tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 mei 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Bij uitspraak van 25 juli 2013, 12/3627, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 15 mei 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3967) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van 15 mei 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 25 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1078) heeft de Raad een verzoek om herziening van de uitspraak van 28 november 2014 afgewezen.

1.3.

Verzoekster heeft bij brief van 22 juni 2016 de Svb verzocht terug te komen van het besluit van 23 december 2011. Bij besluit van 19 juli 2016 heeft de Svb dit verzoek afgewezen. Het door verzoekster tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 4 oktober 2016 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij uitspraak van 21 april 2017, 16/6765, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoekster geen beroepsgronden heeft aangevoerd. Bij de uitspraak van 15 februari 2018, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.

Verzoekster heeft gevraagd haar aanvraag op grond van de Anw opnieuw te beoordelen.

2.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4412) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren en ook niet om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt, te herstellen. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden.

2.4.

Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen omdat niet is gebleken dat verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening bevat namelijk geen gronden die betrekking hebben op de reden waarom het beroep bij de uitspraak van 15 februari 2018 ongegrond is verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2019.

(getekend) H. Benek

(getekend) J. Smolders

VC