Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
18/5278 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand toe te kennen voor de reiskosten in verband met de uitvaart van een familielid. Geen sprake van bijzondere omstandigheden. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Brochure over bijzondere bijstand bevat slechts algemene informatie en vermeld wordt bij specifieke vragen nader contact op te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/235
JERF Actueel 2019/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5278 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 16 juli 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 september 2018, 18/436 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Texel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en om veroordeling van het college tot vergoeding van schade verzocht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Deuzen. Als tolk is verschenen M. Russo. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Straten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

De oom van appellante is op 9 juli 2017 overleden in Italië. Op 10 juli 2019 is appellante, met kennisgeving aan het college, uit Nederland vertrokken om de begrafenis bij te wonen. Op 22 juli 2017 heeft zij bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de gemaakte kosten van de heen- en terugreis van [gemeente 1] naar [gemeente 2] (Italië), in totaal € 941,77.

1.2.

Bij besluit van 21 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 december 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft, onder verwijzing naar artikel 35 van de PW, aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de reiskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan en dat er in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de vraag of in dit geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat deze reiskosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan, ontkennend beantwoord. Daarbij heeft zij onder verwijzing naar de uitspraak van 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4433, overwogen dat van belang is dat iedereen op een gegeven moment voor dergelijke kosten komt te staan. Het tijdstip van overlijden van naaste familie is weliswaar onzeker, maar het overlijden op zichzelf niet. Ook de andere aangevoerde omstandigheden, zoals het moeten zoeken naar onderdak voor haar oma, leiden niet tot een andere conclusie. Het college mocht er daarbij van uitgaan dat dit aan de ouders van appellante, als eerstegraads familieleden was, en dat appellante, nu zij die werkzaamheden heeft overgenomen, daarvoor een vergoeding had kunnen vragen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 35 van de PW. De Raad zal daarom de vraag beantwoorden of de afwijzing op deze grond in rechte standhoudt.

4.2.

In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

4.3.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.4.

Niet in geschil is dat de kosten zich voordoen en noodzakelijk zijn. In geschil is of de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft gevraagd voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.5.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de bijzondere omstandigheden in haar geval zijn gelegen in de afstand die zij heeft moeten reizen om de begrafenis bij te wonen. De vergelijking met de casus van de door de rechtbank genoemde uitspraak van 8 november 2016 gaat volgens haar niet op omdat het in die uitspraak reiskosten betrof over een relatief kleine afstand (Hoogeveen - Emmen). De kosten van appellante zijn beduidend hoger geweest, nu zij veel verder heeft moeten reizen.

4.5.2.

Dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6294, behoren de reiskosten naar een uitvaartplechtigheid tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten die in beginsel uit de bijstand dienen te worden bestreden. De afstand die in verband daarmee moet worden afgelegd doet daar niet aan af, omdat de verscheidenheid in plaatsen en afstanden waarop familieleden van elkaar wonen groot is, terwijl volgens eveneens vaste rechtspraak voor bijstandsverlening in de reiskosten naar en vanuit het buitenland slechts plaats is, voor zover de reis wordt gemaakt over Nederlands grondgebied (uitspraak van 29 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6468).

4.6.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft zij aan de omstandigheid dat de brochure van de gemeente Texel over bijzondere bijstand vermeldt dat in geval van bijzondere omstandigheden reiskosten kunnen worden vergoed, bijvoorbeeld voor bezoek aan naaste familieleden in het ziekenhuis of een kind in een instelling, niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat reiskosten in verband met het bijwonen van een begrafenis worden vergoed. De brochure bevat slechts algemene informatie en raadt betrokkenen meermaals nadrukkelijk aan om bij vragen en/of kostensoorten die niet in de brochure worden genoemd contact op te nemen met het Sociaal Team.

4.7.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij de enige persoon is geweest die de formaliteiten met betrekking tot de begrafenis en de opvang van haar oma kon regelen en dat zij de kosten niet op haar ouders heeft kunnen en willen verhalen. Deze omstandigheden bevestigen weliswaar dat de reiskosten die appellante heeft moeten maken noodzakelijk waren, maar doen er niet aan af dat de reiskosten moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten die niet kunnen worden afgewenteld op de bijstand.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door als J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) D. Bakker