Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
17/7418 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering. Geslaagd beroep op 6-maanden jurisprudentie. College heeft niet adequaat gereageerd op melding van appellant dat hij een WW-uitkering ontving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7418 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 16 juli 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2017, 17/3241 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.R. de Lyon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Lyon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 2 april 2014 heeft het college aan appellant met ingang van 27 februari 2014 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand, thans Participatiewet (PW), toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Omdat appellant op dat moment ook inkomsten uit arbeid bij [BV] ( [BV] ) genoot, heeft het college aan appellant kenbaar gemaakt dat de inkomsten in mindering zullen worden gebracht op de bijstand en dat vanaf 1 maart 2014 25% van de inkomsten wordt vrijgelaten tot een maximumbedrag van € 193,- per maand voor de duur van zes aaneengesloten maanden. Het college heeft maandelijks een bedrag van € 200,- ingehouden op de bijstand.

1.2.

Op 14 augustus 2014 heeft appellant aan een medewerker van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) gemeld dat hij met ingang van 1 oktober 2014 geen werk meer heeft. Appellant is vervolgens doorverwezen naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aan te vragen.

1.3.

Met ingang van 1 oktober 2014 is het dienstverband van appellant bij Sandd beëindigd. Per deze datum heeft het Uwv aan appellant een WW-uitkering toegekend, aangevuld met een toeslag ingevolge de Toeslagenwet.

1.4.

Op 18 november 2014 heeft appellant telefonisch aan de DWI doorgegeven dat hij, naast de bijstand, ook een WW-uitkering ontvangt. De klantmanager heeft appellant vervolgens gevraagd een uitkeringsspecificatie van zijn WW-uitkering over te leggen. Appellant heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek.

1.5.

Op 10 januari 2017 heeft appellant aan de DWI gemeld dat zijn WW-uitkering is beëindigd en dat hij geen inkomsten meer heeft.

1.6.

Naar aanleiding van de in 1.5 genoemde melding heeft het college appellant verzocht gegevens over zijn WW-uitkering, waaronder uitkeringsspecificaties, over te leggen. Appellant heeft aan dit verzoek voldaan.

1.7.

Bij besluit van 14 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 april 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 31 oktober 2016 - de periode waarover appellant een WW-uitkering heeft ontvangen - herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van

€ 3.504,33 netto van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de inkomsten van appellant uit arbeid (lees: WW-uitkering) niet volledig in mindering zijn gebracht op de bijstand. De gemaakte kosten van bijstand worden netto teruggevorderd omdat het college appellant niet verwijt dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college acht de zesmaandenjurisprudentie niet van toepassing, omdat appellant geen enkel signaal heeft gegeven dat hij te veel bijstand ontving. Verder heeft het college overwogen dat geen sprake is van een administratieve vergissing, zodat artikel 58, zesde lid, van de PW hier niet van toepassing is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 oktober 2014 tot en met 31 oktober 2016, een uitkering ingevolge de WW heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat het college in deze periode maandelijks een bedrag van € 200,- heeft ingehouden op de bijstand van appellant, dat deze inhouding lager was dan het bedrag dat appellant maandelijks aan WW-uitkering heeft ontvangen en dat de terugvordering niet is ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting.

4.2.

Ter zitting heeft appellant desgevraagd bevestigd dat de herziening van de bijstand niet wordt bestreden. In geschil is slechts de vraag of het college gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot terugvordering over te gaan. Hierbij heeft appellant een beroep gedaan op de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4469) is de bevoegdheid van het bijstandverlenend orgaan om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen in tijd beperkt indien dit orgaan niet adequaat reageert op signalen waaruit het kan afleiden dat het te veel of ten onrechte uitkering heeft verstrekt. Een signaal is in dit verband relevante informatie van de betrokkene waaruit het bijstandverlenend orgaan concreet kan afleiden dat sprake is van een fout op grond waarvan het actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bijstandverlenend orgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan het dan geen gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.4.

Wat partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of sprake is van een signaal waaruit het college concreet heeft kunnen afleiden dat er bij de verlening van de bijstand een fout is gemaakt op grond waarvan het college actie had dienen te nemen. Appellant heeft betoogd dat het college op 14 augustus 2014, dan wel op 18 november 2014, een dergelijk signaal van hem heeft ontvangen en niet pas op 10 januari 2017, zoals het college heeft gesteld.

4.5.

Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij reeds op 14 augustus 2014 een concreet signaal heeft afgegeven aan het college. Op dat moment heeft appellant uitsluitend aan de DWI gemeld dat hij met ingang van 1 oktober 2014 geen werk meer had, echter van een WW-uitkering was ten tijde van deze melding nog geen sprake.

4.6.

Anders dan de rechtbank en het college en met appellant is de Raad van oordeel dat op

18 november 2014 sprake is geweest van een signaal als bedoeld in 4.3. Appellant heeft zelf telefonisch contact opgenomen met de DWI om door te geven dat hij een WW-uitkering ontving. Het college kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat op dat moment nog geen sprake was van een signaal waaruit kon worden afgeleid dat het college te veel of ten onrechte uitkering heeft verstrekt omdat het college maandelijks al een bedrag inhield op de bijstand en dat het om die reden op de weg van appellant lag om door te geven dat het bedrag dat werd ingehouden, te laag was. De korting die door het college werd toegepast had namelijk betrekking op de inkomsten die appellant ontving uit zijn dienstbetrekking bij [BV] , waarvan 25% vrijgelaten werd, terwijl de melding van 18 november 2014 zag op het ontvangen van WW-uitkering, die volledig in aanmerking genomen moet worden op de bijstand. Onder deze omstandigheden kan worden geoordeeld dat er op 18 november 2014 al een duidelijk signaal was dat appellant, wat achteraf bezien ook bleek uit de uitkeringsspecificaties WW, te veel bijstand ontving. Het college heeft hierop niet voldoende adequaat gereageerd, zodat de terugvordering met toepassing van de zesmaandenjurisprudentie gematigd dient te worden tot de periode van 1 oktober 2014 tot en met zes maanden na

18 november 2014, te weten tot 18 mei 2015.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het college ten onrechte de kosten van bijstand over de periode van

1 november 2014 tot en met 31 oktober 2016 van appellant heeft teruggevorderd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand betreft, omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd. Het college zal een nieuwe berekening moeten maken van het terug te vorderen bedrag over de periode van 1 november 2014 tot 18 mei 2015. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, ziet de Raad af van toepassing van een zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot definitieve geschillenbeslechting. De Raad zal het college opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep, in totaal € 2.048,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 20 april 2017 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover dat ziet op de terugvordering;

  • -

    draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering over de periode van 1 oktober 2014 tot 18 mei 2015;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) E. Stumpel