Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
17/7507 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met niet gemelde inkomsten uit drugshandel. Beroep op onschuldpresumptie slaagt niet omdat uit de ondertekening mondeling vonnis niet kan worden opgemaakt op grond waarvan de politierechter tot een vrijspraak is gekomen. Alleen over maand waarin appellant handelend in drugs is aangetroffen is voldoende feitelijke grondslag voor intrekking bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige Kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 16 oktober 2017, 17/827 (aangevallen uitspraak 1) en van 19 maart 2018, 17/1944 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van Wolde, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019. Namens appellant is verschenen mr. Van Wolde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Scholte en mr. G.A. Prins.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand vanaf 22 juni 2010, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.1.

Appellant is, na een eerdere aanhouding op 30 december 2015 en een daaropvolgende veroordeling in verband met het in bezit hebben van cocaïne en heroïne, op 26 maart 2016 wederom door de politie aangehouden als verdachte ter zake van overtreding van de Opiumwet. Aanleiding hiervoor waren waarnemingen door de politie op 26 maart 2016 via live camerabeelden van de omgeving [omgeving] in [gemeente] . Deze buurt is bekend met overlast in verband met alcohol en drugs. Op de beelden was te zien dat appellant diverse malen iets overhandigde aan onbekend gebleven personen. Tevens is op de beelden waargenomen dat appellant richting een onbekende man liep en door deze man aangesproken werd, dat zij gezamenlijk naar een vaste locatie op de [locatie] liepen en dat appellant iets aan de onbekende man overhandigde, waarna de onbekende man richting de binnenstad liep. Op de plek waar appellant steeds naar toe liep - een elektriciteitskast - werd een blauw pakje met vijf wikkels aangetroffen en een gripzakje met hennep. Bij de aanhouding van appellant werd bij hem een geldbedrag van € 508,65 aangetroffen.

1.2.2.

Appellant is op 26 maart 2016 door de politie verhoord. De verklaring die appellant tijdens dit verhoor heeft afgelegd, is opgetekend in een proces-verbaal van verhoor. In dit proces-verbaal, dat door appellant is ondertekend, is aan het eind daarvan opgenomen dat appellant, nadat de verklaring hem was voorgelezen, verklaarde daarin te volharden en deze ondertekende. Appellant heeft onder meer, kort weergegeven, het volgende tegenover de politie verklaard. De op 26 maart 2016 door de politie aangetroffen blauwe wikkels behoorden hem toe en bevatten speed. Appellant haalt zijn drugs bij een zekere X, afkomstig uit de Dominicaanse Republiek. Appellant verkoopt zijn speed altijd voor € 25,-. De verkoop op 26 maart 2016 aan de hiervoor bedoelde onbekende persoon is niet doorgegaan omdat deze persoon maar € 20,- bij zich had. Appellant betaalt X altijd achteraf. Van de winst koopt appellant nieuwe drugs.

1.2.3.

De processen-verbaal van aanhouding, bevindingen en verhoor heeft de politie op

28 maart 2016 aan de sociale recherche van de gemeente Groningen verstrekt. Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben een sociaal rechercheur en een fraudecontroleur van de afdeling handhaving van de gemeente Groningen op 14 april 2016 een gesprek met appellant gevoerd, waarbij appellant heeft verklaard dat de op 26 maart 2016 aangetroffen drugs niet van hem waren, hij geen drugsdealer is en dat hij om die reden dus ook geen administratie bijhoudt van inkoop en verkoop van drugs. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport Afdeling Handhaving van 14 april 2016.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 27 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2017 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant vanaf 1 maart 2016 in te trekken en de over de periode van
1 maart 2016 tot en met 31 maart 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 660,05 van appellant terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant geen melding van zijn handel in drugs heeft gemaakt en zijn inkomsten hieruit niet inzichtelijk heeft gemaakt. Het recht op bijstand is daarom vanaf
1 maart 2016 niet vast te stellen.

1.4.

Het college heeft appellant bij besluit van 8 september 2016 opnieuw bijstand toegekend met ingang van 3 augustus 2016.

1.5.

Het college heeft op 12 oktober 2016 informatie van de politie ontvangen dat appellant op 2 oktober 2016 wederom is aangehouden en dat daarbij bij appellant onder andere zeventien bolletjes, vermoedelijk cocaïne, en een geldbedrag van € 274,10 zijn aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft het college wederom een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In verband daarmee hebben twee handhavingsmedewerkers appellant op 11 november 2016 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport Afdeling Handhaving van 11 november 2016.

1.6.

De resultaten van het onder 1.5 genoemde onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 18 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

21 april 2017 (bestreden besluit 2), de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2016 in te trekken en de over 1 oktober 2016 tot en met 31 oktober 2016 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 663,07. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat het, gelet op de bij appellant op 2 oktober 2016 aangetroffen hoeveelheid drugs en geld, aannemelijk is dat appellant handelde in drugs. Appellant heeft hiervan bij het college geen melding gemaakt. Nu appellant geen administratie bijgehouden heeft van de in- en verkoop van drugs kan het college het recht op bijstand vanaf 1 oktober 2016 niet vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in


beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

Intrekking bijstand met ingang van 1 maart 2016 (aangevallen uitspraak 1)

4.2.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 maart 2016, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 27 juni 2016, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.3.

Het college heeft zijn besluitvorming, zoals ter zitting nader is toegelicht, met name gebaseerd op de door appellant op 26 maart 2016 tegenover de politie afgelegde verklaring met als ondersteunend bewijs de onder 1.2.1 genoemde feiten en omstandigheden. Anders dan appellant heeft aangevoerd, biedt deze verklaring, in samenhang gezien met de onder 1.2.1 genoemde observaties van de camerabeelden op 26 maart 2016, een toereikende feitelijke grondslag om aan te nemen dat appellant op die datum in drugs heeft gehandeld en daaruit inkomsten heeft genoten. Daaruit blijkt immers dat appellant speed heeft aangeboden aan de onbekende persoon en dus in zoverre heeft gehandeld in drugs. Gelet op de aangetroffen wikkels en de verklaring van appellant dat hij zijn speed altijd voor € 25,- verkoopt, is het voorts aannemelijk dat appellant die dag ook andere handelstransacties heeft verricht.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie, zoals gewaarborgd bij artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellant is door de politierechter op 24 juni 2016 vrijgesproken. Hij heeft een aantekening mondeling vonnis overgelegd en een e-mailbericht van 12 juli 2017 van de advocaat, die hem heeft bijgestaan in de strafrechtelijke procedure. Volgens deze advocaat is appellant vrijgesproken omdat hij op 26 maart 2016 tegenover de politie heeft verklaard dat hij wikkels met speed had, terwijl de door de politie gevonden wikkels blijkbaar cocaïne bevatten en appellant hierover tijdens dit verhoor niet is bevraagd. Nu de strafrechter de verklaring van appellant als bewijsmiddel heeft uitgesloten, kan deze ook niet aan de besluitvorming van het college ten grondslag worden gelegd. Dan zou immers twijfel worden opgeroepen over de juistheid van de gronden van de in het vonnis van de politierechter vervatte vrijspraak.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

Niet in geschil is dat appellant door de politierechter is vrijgesproken van het bezit van harddrugs op 26 maart 2016. Voor een geslaagd beroep op de onschuldpresumptie dient allereerst een betrokkene te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere gerechtelijke procedure (zie de uitspraak van

7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2398). In deze procedure zijn de strafrechter en het college van hetzelfde feitencomplex uitgegaan. Er bestaat dan ook voldoende verband tussen beide procedures. Dit verband is op zichzelf niet voldoende voor de conclusie dat het oordeel van de strafrechter eraan in de weg staat dat in de bestuursrechtelijke procedure de feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken bewezen worden verklaard. Daarvoor is van belang dat de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel dienen te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten (zie eveneens de uitspraak van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2398).

4.5.2.

In dit geval kan tot een oordeel worden gekomen over het besluit tot intrekking van de bijstand zonder twijfel op de roepen over de juistheid van de gronden van de in het vonnis van de politierechter vervatte vrijspraak. Uit de onder 4.4 genoemde aantekening mondeling vonnis kan niet opgemaakt worden op grond waarvan de politierechter tot vrijspraak is gekomen. Dat de politierechter geen waarde heeft gehecht aan de door appellant op
26 maart 2016 tegenover de politie afgelegde verklaring, zoals appellant heeft gesteld, blijkt niet uit dit vonnis. Dit kan evenmin uit het onder 4.4 genoemde e-mailbericht van zijn strafrechtadvocaat worden opgemaakt, dit nog los van de vraag welke bewijswaarde aan een dergelijk e-mailbericht in dit geval zou moeten worden toegekend.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het college terecht zich op het standpunt heeft gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college niet te melden dat hij op 26 maart 2016 handelde in drugs. Dit levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de maand maart 2016 recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Hij heeft immers geen objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt over de omvang van zijn handelstransacties op 26 maart 2016 en van de daaruit genoten inkomsten. Dit betekent dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de gehele maand maart 2016 niet kan worden vastgesteld.

4.7.

Voor de periode van 1 april 2016 tot en met 27 juni 2016 bieden de verklaring van appellant van 26 maart 2016 en de observaties van de camerabeelden betrekking hebbend op die dag geen toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in drugs heeft gehandeld en daaruit inkomsten heeft genoten. De overige door het college ter zitting genoemde omstandigheden zoals de bekendheid van appellant bij de politie, de locatie waar appellant op 26 maart 2016 is aangetroffen en de geldsom die appellant toen bij zich had, kunnen evenmin deze conclusie dragen, omdat ze niet zien op de periode vanaf
1 april 2016.

4.8.

Uit 4.6 volgt dat het college op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW gehouden was de bijstand over de maand maart 2016 in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden was de over deze maand gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Dit ligt anders voor de periode vanaf 1 april 2016. Uit 4.7 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode van 1 april 2016 tot en met
27 juni 2016 zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat vanaf 1 april 2016 een feitelijke grondslag voor de intrekking van de bijstand ontbreekt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.9.

Gelet op 4.8 slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1, zodat deze uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep gegrond worden verklaard en bestreden besluit 1 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd, voor zover het de intrekking van de bijstand vanaf 1 april 2016 betreft.

Intrekking bijstand met ingang van 1 oktober 2016 (aangevallen uitspraak 2)

4.10.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 oktober 2016, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 18 november 2016, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.11.

Gelet op het verhandelde ter zitting is niet langer in geschil dat appellant op
2 oktober 2016 in het bezit was van 2,52 gram harddrugs. Appellant heeft aangevoerd dat deze harddrugs niet bestemd waren voor de handel maar voor eigen gebruik. Appellant is naar eigen zeggen een “grootverbruiker”.

4.12.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op de uitspraak van 19 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:765, moet bij een aangetroffen hoeveelheid harddrugs van meer dan 0,5 gram in beginsel worden aangenomen dat die harddrugs bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking en dat hiervan melding moet worden gemaakt bij het college. Het is dan aan betrokkene om daarvan tegenbewijs te leveren. Uitgaande van de bij appellant op

2 oktober 2016 aangetroffen hoeveelheid harddrugs van 2,52 gram, moet in beginsel van verkoop, aflevering of verstrekking worden uitgegaan. Appellant heeft geen tegenbewijs geleverd. De enkele stelling dat hij een bovengemiddeld gebruiker is, is onvoldoende voor de conclusie dat appellant die dag niet in harddrugs heeft gehandeld. Dat hij hierover consistent heeft verklaard maakt het voorgaande niet anders.

4.13.

Door van de handel in harddrugs geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Zoals onder 4.6 is overwogen, levert dit een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant heeft hiertoe niets aangedragen. Hieruit volgt dat het recht op bijstand over de maand oktober 2016 niet kan worden vastgesteld, dat het recht op bijstand over deze maand terecht is ingetrokken en dat de kosten van bijstand over deze maand terecht zijn teruggevorderd.

4.14.

Het college heeft voor de periode van 1 november 2016 tot en met 18 november 2016 niet aannemelijk gemaakt dat appellant heeft gehandeld in harddrugs. De op 2 oktober 2016 bij appellant aangetroffen hoeveelheid harddrugs kan hiertoe niet dienen. Dit betekent dat voor de periode vanaf 1 november 2016 een feitelijke grondslag voor de intrekking van de bijstand ontbreekt. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 ook slaagt. Dit betekent dat aangevallen uitspraak 2 dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep gegrond worden verklaard en bestreden besluit 2, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand vanaf

1 november 2016, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.

Slotoverweging

4.15.

Aansluitend dient te worden bezien, welk vervolg aan deze uitkomsten onder 4.9 en 4.14 wordt gegeven. Gelet op de ter zitting door het college geuite wens om in het geval van

vernietiging van de bestreden besluiten nader onderzoek te doen, wordt geen mogelijkheid gezien zelf in de zaak te voorzien. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus en zal het college opdracht geven om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

4.16.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Proceskostenveroordeling

4.17.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant in beide zaken. Deze kosten worden begroot op € 2.048,- (4 punten) in beroep en € 1.536,- (3 punten) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 3.584,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van beroep

Aangevallen uitspraak 1

- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2017 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het de intrekking van bijstand over de periode vanaf 1 april 2016 betreft;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

27 juni 2016, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand vanaf 1 april 2016;

- bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Aangevallen uitspraak 2

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 april 2017 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het de intrekking van bijstand over de periode vanaf 1 november 2016 betreft;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 november 2016 voor zover dit ziet op de intrekking vanaf 1 november 2016;

- bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.536,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter en W.F. Claessens en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2019.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) V.Y. van Almelo