Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
19/1541 WIA-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank en appellante verschillen niet van mening dat op 23 augustus 2017 het griffierecht is betaald. Op de door de rechtbank aangewezen bankrekening. Voldaan aan het wettelijke vereiste van artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat door administratieve onvolkomenheden niet meteen duidelijk was ten behoeve van welke beroepszaak het griffierecht werd betaald, doet daar niet aan af. Hoger beroep slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/393
NJB 2019/1772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1541 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2019, 17/2508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 juni 2019

Zitting heeft: mr. H.G. Rottier

Griffier: D.S. Barthel

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2019. Namens appellante is verschenen mr. E.H.J. aan de Stegge. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de door appellante in hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

De rechtbank heeft het door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante het griffierecht niet heeft betaald.

Appellante heeft dit oordeel in hoger beroep betwist en – kortweg – gesteld dat het griffierecht wel tijdig is betaald.

Het Uwv heeft zich in het verweerschrift niet uitgelaten over de inhoudelijke vraag die in hoger beroep aan de orde is.

Appellante heeft op 18 juli 2017 beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van

22 juni 2017. Bij brief van 20 juli 2017 heeft de rechtbank appellante meegedeeld dat zij een griffierecht van € 46,- diende te betalen, voor 18 augustus 2017. Appellante is na deze eerste brief in verzuim gebleven. Bij een daaropvolgende brief van de rechtbank van

18 augustus 2017 is appellante verzocht alsnog het griffierecht te betalen, binnen vier weken na dagtekening van deze brief. Daarbij is te kennen gegeven dat bij het achterwege blijven van die betaling, het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden.

Vast staat dat namens appellante vervolgens op 23 augustus 2017 het griffierecht is betaald. De rechtbank en appellante verschillen hierover niet van mening. Voorts staat vast dat de betaling van het griffierecht is geschied op de door de rechtbank aangewezen bankrekening. Daarmee is voldaan aan het wettelijke vereiste van artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat daarbij door administratieve onvolkomenheden niet aanstonds duidelijk was ten behoeve van welke beroepszaak het griffierecht werd betaald, doet daar niet aan af. Daarbij wordt erop gewezen dat, afgezien van het bepaalde in artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb, de Awb of enige op de Awb gebaseerde regeling, geen nadere administratieve voorschriften geeft over de betaling van het griffierecht.

Voor zover door de rechtbank nog werd getwijfeld over de bestemming van de betaling van appellante, had uit de e-mail van de gemachtigde van appellante van 24 augustus 2017, dus daags na de betaling, eenvoudig afgeleid kunnen worden ten behoeve van welke beroepszaak die betaling werd verricht. In dat verband wordt nog gewezen op de uitspraken van de Raad van 23 maart 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP8908) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2158).

Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Gelet op wat met appellante ter zitting is besproken en gelet op artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, wordt de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- aan kosten van rechtsbijstand.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) D.S. Barthel (getekend) H.G. Rottier

CVG