Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
18/2506 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu er geen nadere gegevens zijn met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant na november 2016, ook niet ingebracht door appellant, zijn er geen aanknopingspunten om uit te gaan van een verslechtering van zijn gezondheidssituatie. Ook geen reden om nu te concluderen dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 22 augustus 2017 niet berust op voldoende medische gegevens. De stelling van appellant dat met de beperkingen in FML onvoldoende recht is gedaan aan zijn gezondheidssituatie is door hem niet onderbouwd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de gronden van appellant betreffende de arbeidskundige grondslag besproken en terecht verworpen. De Raad kan zich vinden in de motivering van de rechtbank en volstaat met verwijzing daarnaar in de aangevallen uitspraak. Uitlooptermijn van twee maanden is overeenkomstig artikel 117 van de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2506 WIA

Datum uitspraak: 5 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2018, 17/5758 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam B.V.] gevestigd te [vestigingsplaats] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens belanghebbende heeft mr. C.A. van der Steen, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting en een nadere reactie ingediend.

Appellant heeft een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2019. Voor appellant is mr. Brouwer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. Belanghebbende is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is via uitlening door belanghebbende vanaf 1 augustus 2009 werkzaam geweest als beveiliger voor 40,88 uur per week. Op 6 februari 2010 is hij voor dit werk uitgevallen met lichamelijke klachten. Bij besluit van 22 augustus 2014 heeft het Uwv geweigerd aan appellant na afloop van de wachttijd van 104 weken per 4 februari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Volgens het Uwv was appellant met zijn in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juli 2014 opgenomen beperkingen nog in staat een aantal functies uit te oefenen. Gelet op wat appellant daarmee zou kunnen verdienen, is zijn mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 8,68%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 februari 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit bij uitspraak van 8 juli 2015, 15/1794, ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van 3 januari 2018 bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2018:44).

1.2.

Vanaf 4 februari 2012 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 29 januari 2014 heeft appellant zich ziek gemeld met beenklachten die verband houden met claudicatio intermittens. Bij besluit van 13 november 2014 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per
19 november 2014 beëindigd, omdat hij volgens een verzekeringsarts van het Uwv weer in staat was de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 november 2014 bij besluit van
3 februari 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit bij uitspraak van 8 juli 2015, 15/1793, ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van 3 januari 2018 bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2018:99).

1.3.

Bij brief van 30 september 2016 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat hij een vaatoperatie heeft ondergaan, in verband waarmee hij van 14 juni 2016 tot 24 juni 2016 opgenomen was in een ziekenhuis. Volgens appellant zijn zijn klachten en beperkingen tenminste vanaf 14 juni 2016 toegenomen. Hij heeft het Uwv verzocht een zogenoemde Amber-beoordeling te verrichten op grond van artikel 57 van de Wet WIA omdat sprake is van toename van zijn arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de weigering hem een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant is op 18 november 2016 gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze heeft mede op grond van informatie van de behandelend vaatchirurg van appellant geoordeeld dat appellant vanaf 1 april 2016 toegenomen beperkt is en als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Mede gelet op de gebruikelijke revalidatieperiode kan er volgens de verzekeringsarts vanaf het spreekuur van worden uitgegaan dat appellant weer belastbaar is, maar wel met beperkingen. Deze beperkingen heeft de verzekeringsarts vastgelegd in een FML die geldig is vanaf 18 november 2016. Een arbeidsdeskundige heeft op basis van voor appellant geschikte functies, zijn mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 23,27%. Bij besluit van 19 december 2016 heeft het Uwv aan appellant per 1 april 2016 een loongerelateerde WGA‑uitkering toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 100%, met als einddatum 28 februari 2019. Bij besluit van eveneens 19 december 2016 heeft het Uwv appellant bericht dat zijn WGA‑uitkering wordt beëindigd per 1 maart 2019, omdat hij dan minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Deze besluiten heeft het Uwv aan appellant en aan belanghebbende gestuurd.

1.4.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 19 december 2016 en er onder meer op gewezen dat appellant al 35 maanden een WW-uitkering heeft ontvangen en daarom geen recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Appellant – en niet zijn gemachtigde – is van dit bezwaar op de hoogte gesteld en appellant heeft niet gemeld dat hij bij de bezwaarprocedure als belanghebbende wil worden betrokken. Bij besluit van 10 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. Aan appellant is ten onrechte een loongerelateerde uitkering toegekend, dit had een WGA‑loonaanvullingsuitkering moeten zijn. Het Uwv heeft beslist dat de beperkingen van appellant wel juist zijn opgenomen in de FML, dat de aanvang van de uitkering per 1 april 2016 gehandhaafd blijft en dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering. Omdat appellant vanaf 18 november 2016 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was, moet de WGA‑loonaanvullingsuitkering van appellant worden beëindigd. Omdat de wijziging plaatsvindt na bezwaar van de belanghebbende werkgever van appellant, heeft het Uwv op grond van artikel 117 van de Wet WIA besloten de uitkering te beëindigen per 22 augustus 2017, zes weken na de datum van het bestreden besluit. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Volgens de rechtbank heeft het Uwv het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid omdat het Uwv heeft verzuimd de gemachtigde van appellant te informeren over het door belanghebbende gemaakte bezwaar, waardoor appellant niet betrokken is geweest bij de bezwaarprocedure. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Volgens de rechtbank is het bestreden besluit medisch voldoende onderbouwd. De beroepsgrond van appellant dat het besluit niet berust op voldoende actuele medische informatie slaagt volgens de rechtbank niet, omdat niet is gebleken van relevante ontwikkelingen in de gezondheid van appellant tussen de beoordeling door de verzekeringsarts op 18 november 2016 en de beëindigingsdatum 22 augustus 2017. Ook de arbeidskundige grondslag van het besluit heeft de rechtbank voldoende geacht en er is volgens de rechtbank geen aanleiding om een langere uitlooptermijn in acht te nemen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte de
WGA-loonaanvullingsuitkering heeft beëindigd per 22 augustus 2017. Het besluit is niet zorgvuldig voorbereid en berust niet op actuele medische gegevens. Zijn arbeidsbeperkingen zijn niet juist weergegeven in de FML en de geselecteerde functies zijn niet geschikt. Het Uwv had een uitlooptermijn van twee maanden na het bestreden besluit in acht moeten nemen, dus zijn uitkering had niet voor 10 september 2017 beëindigd kunnen worden.

3.2.

Het Uwv heeft de gronden van appellant bestreden en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

3.3.

Belanghebbende heeft eveneens bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Ter beoordeling ligt voor de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant per 22 augustus 2017.

4.2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid omdat hij ten onrechte niet betrokken is geweest bij de bezwaarprocedure. Daardoor heeft hij zijn argumenten over de beoordeling door het Uwv niet naar voren kunnen brengen en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alleen dossieronderzoek gedaan. De beëindiging van zijn WIA-uitkering berust volgens appellant daarnaast op verouderde medische gegevens, omdat die is gebaseerd op een onderzoek van een verzekeringsarts op 18 november 2016 en er tot de beëindigingsdatum meer dan 9 maanden zijn verstreken zonder actuele beoordeling. Het Uwv heeft erop gewezen dat de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd omdat appellant ten onrechte niet bij de bezwaarprocedure was betrokken. Volgens het Uwv is er geen aanleiding om uit te gaan van een verslechtering van de medische situatie na november 2016. Appellant heeft ook geen medische gegevens ingebracht ter ondersteuning van zijn standpunt.

4.2.2.

Dat appellant ten onrechte niet is betrokken bij de bezwaarprocedure heeft geleid tot de beslissing van de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant. Ter beoordeling is nu of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van dat besluit, inhoudende beëindiging van de WIA-uitkering van appellant per 22 augustus 2017, in stand heeft gelaten. Dit besluit berust op het onderzoek van de verzekeringsarts die appellant heeft gezien op 18 november 2016. De verzekeringsarts heeft daarnaast informatie van de behandelend artsen van appellant beoordeeld, onder meer van zijn vaatchirurg na de opname in juni 2016. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 12 juni 2017 alle beschikbare gegevens opnieuw beoordeeld. Als appellant wel was betrokken bij de bezwaarprocedure had hij mogelijk schriftelijk of eventueel bij een hoorzitting een nadere toelichting kunnen geven op zijn klachten en beperkingen. Maar nu er geen nadere gegevens zijn met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant na november 2016, ook niet ingebracht door appellant, zijn er geen aanknopingspunten om uit te gaan van een verslechtering van zijn gezondheidssituatie en is er geen reden om nu te concluderen dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 22 augustus 2017 niet berust op voldoende medische gegevens. De beroepsgrond van appellant dat het bestreden besluit in medische zin niet berust op een zorgvuldige voorbereiding slaagt daarom niet.

4.3.1.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn beperkingen niet juist zijn weergegeven in de FML van 18 november 2016. Als gevolg van zijn vaatklachten heeft hij beenklachten en vooral de beperkingen ten aanzien van lopen en staan zijn onvoldoende in de FML opgenomen.

4.3.2.

De verzekeringsarts heeft op grond van zijn eigen onderzoek van appellant en informatie van zijn vaatchirurg een inschatting gemaakt van de beperkingen van appellant. Hij heeft in de FML onder meer beperkingen opgenomen ten aanzien van lopen, lopen tijdens het werk, staan en staan tijdens het werk. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de verzekeringsarts de bij het ziektebeeld van appellant passende beperkingen correct vastgesteld. De stelling van appellant dat met deze beperkingen onvoldoende recht is gedaan aan zijn gezondheidssituatie is door hem niet onderbouwd. De beroepsgrond van appellant dat zijn beperkingen zijn onderschat, slaagt daarom evenmin.

4.4.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende is, dat de arbeidskundige bezwaar en beroep overleg had moeten voeren met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat de belasting van de geselecteerde functies te zwaar is.

4.4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden van appellant besproken en terecht verworpen. De Raad kan zich vinden in de motivering van de rechtbank en volstaat met verwijzing naar de overwegingen 9.1 tot en met 11.4 van de aangevallen uitspraak.

4.5.

De beroepsgrond van appellant dat het Uwv niet de juiste uitlooptermijn in acht heeft genomen slaagt niet. Het Uwv heeft met juistheid gesteld, dat als het bij het primaire besluit van 19 december 2016 de juiste beslissing had genomen, aan appellant per 1 april 2016 een WGA-loonaanvullingsuitkering was toegekend, die vervolgens was beëindigd per 20 februari 2017, met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden. Nu belanghebbende bezwaar heeft gemaakt en dat de reden was om tot beëindiging van de uitkering voor de toekomst te beslissen, heeft het Uwv terecht toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 117 van de Wet WIA. De WIA-uitkering van appellant is daarom bij het bestreden besluit terecht beëindigd per 22 augustus 2017.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.A.E. Lageweg

VC