Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
17/4051 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Volgens de verzekeringsarts is destijds, in 2001, zorgvuldig beoordeeld of appellant in verband met zijn langer bestaande heupbeperkingen bij aanvang geschikt was voor het werk van magazijnmedewerker en wat de gevolgen van de val van appellant waren. Conclusie is kenbaar gebaseerd op de aanwezige informatie en volgt daar logisch en overtuigend uit. Geen sprake van gebleken nieuwe feiten of omstandigheden. Bestreden besluit is niet evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4051 WAO

Datum uitspraak: 10 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 april 2017, 16/6888 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Turkije) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Voor appellant is

mr. Gürses verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft een aangeboren heupafwijking en is in 1998 vanuit Turkije naar

Nederland gekomen. Met ingang van 15 september 1998 is appellant gaan werken als schoonmaker voor 10 uur per week. Vanaf 17 juli 2000 is appellant daarnaast gaan werken als magazijnmedewerker bij een houthandel voor 38 uur per week. Op 19 september 2000 heeft appellant zich ziek gemeld bij beide werkgevers na een val op het werk bij de houthandel.

1.2.

Aan appellant is bij besluit van 25 januari 2002 met ingang van 18 september 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het dagloon is vastgesteld op € 14,13. Bij de vaststelling van het dagloon is alleen uitgegaan van het loon dat appellant heeft ontvangen als schoonmaker. Het loon dat appellant heeft ontvangen als magazijnmedewerker is buiten beschouwing gelaten, omdat appellant op het moment dat hij ging werken als magazijnmedewerker beperkingen had als gevolg van zijn heupafwijking. Door deze beperkingen viel een uitval in het werk als magazijnmedewerker binnen een half jaar te verwachten. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2002.

1.3.

Op 13 januari 2015 heeft appellant een verzoek ingediend om terug te komen van het

besluit van 25 januari 2002. Hierbij is verzocht om het dagloon aan te passen en ook het werk als magazijnmedewerker te beschouwen als maatgevende arbeid. Appellant heeft hierbij aangevoerd dat hij bij aanvang van zijn werk als magazijnmedewerker niet ongeschikt was voor dit werk. Appellant heeft een ongeluk op de werkvloer gehad waardoor hij niet in staat was het werk voort te zetten.

1.4.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft op 12 juli 2016 een onderzoek verricht en

geconcludeerd dat de situatie van de heup al zeer ernstig was op het moment dat appellant in 1998 naar Nederland kwam en dat deze situatie door de val op het werk niet is verslechterd. De verzekeringsarts heeft dit onder meer afgeleid uit de informatiebrief van de behandelend orthopedisch chirurg van appellant van 26 oktober 2001. Het werk als magazijnmedewerker was hiermee bij aanvang van het dienstverband al ongeschikt en de uitval voor dit werk was binnen zes maanden te verwachten. Met het besluit van 13 juli 2016 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen, waarbij is vermeld dat appellant bij zijn verzoek geen nieuwe informatie heeft opgenomen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is met de beslissing op bezwaar van 27 september 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in het besluit gesteld dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd en dat het Uwv daarom niet verplicht is om nader onderzoek te verrichten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen en dat van evidente onredelijkheid niet is gebleken.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald. Volgens appellant is wel sprake van nieuwe feiten en omstandigheden en is bovendien sprake van evidente onredelijkheid van het besluit van 25 januari 2002. Appellant heeft onder meer gesteld dat hij zonder de val op 19 september 2000 aan het werk was gebleken, dat de klachten na de val nieuw waren en dat hij die daarvoor niet had en dat de informatie van zijn behandelend orthopedisch chirurg dateert van na de val.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2.

Het verzoek van appellant van 13 januari 2015 strekt ertoe dat het Uwv zijn besluit van 25 januari 2002 wijzigt en de toegekende WAO-uitkering op een hoger bedrag vaststelt door daarbij ook het werk van magazijnmedewerker en het daarmee verdiende loon te betrekken. Aldus is sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het Uwv heeft het verzoek afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en heeft zo toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.3.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft – ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.4.

Appellant heeft bij zijn verzoek van 13 januari 2015 verzocht om een nieuw onderzoek van een verzekeringsarts, omdat hij van mening is dat ten onrechte het werk als magazijnmedewerker destijds buiten beschouwing is gelaten bij de beoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid in het verband van de WAO. Hij heeft bij zijn verzoek gesteld dat zijn heupklachten door de val tijdens het werk op 19 september 20013 zijn toegenomen en dat hij zonder die val het werk gewoon had voortgezet. Ten onrechte is destijds geoordeeld dat het werk van magazijnmedewerker als gevolg van zijn heupklachten al vanaf de aanvang voor hem niet geschikt was. Appellant heeft bij zijn verzoek geen nieuwe gegevens overgelegd in de vorm van brieven, rapporten en dergelijke.

4.5.

Het Uwv heeft een verzekeringsarts verzocht het verzoek te beoordelen. Deze heeft dossieronderzoek gedaan en in zijn rapport van 12 juli 2016 onder meer gewezen op de rapporten van een verzekeringsarts van 29 juni 2001 en van 13 november 2001, van een arbeidsdeskundige van 18 december 2001 en op een brief van de behandelend orthopedisch chirurg van appellant van 26 oktober 2001. Volgens de verzekeringsarts is destijds zorgvuldig beoordeeld of appellant in verband met zijn langer bestaande heupbeperkingen bij aanvang geschikt was voor het werk van magazijnmedewerker en wat de gevolgen van de val van appellant waren. Deze conclusie van de verzekeringsarts is kenbaar gebaseerd op de aanwezige informatie en volgt daar logisch en overtuigend uit.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het Uwv zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat geen sprake is van gebleken nieuwe feiten of omstandigheden. Dat appellant het achteraf niet eens is met het besluit van destijds betekent niet dat het Uwv dat besluit nu opnieuw inhoudelijk moet heroverwegen. Appellant had immers zijn argumenten destijds kunnen aanvoeren als hij tijdig bezwaar had gemaakt.

4.7.

Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 volgt dat een dergelijke vaststelling de afwijzing van een herhaalde aanvraag in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Wat appellant in het voorliggende geval heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

5. Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van

R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

TM