Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2268

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
16/7013 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Geen recht meer op een nabestaandenuitkering, artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, ANW. Onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onder d, van de ANW geldt voor onbepaalde tijd. Gehoudenheid om uitkering te herzien of in te trekken. Buitenwettelijk, begunstigend beleid. De brief van 5 september 2008 is onjuist geweest. Tevens is de uitkering ongewijzigd voortgezet. Intrekking nabestaandenuitkering daarom gematigd tot de helft van de periode. Svb gehouden tot terugvordering van onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7013 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

6 oktober 2016, 16/93 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 11 juli 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ek. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving vanaf november 1997 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). Per april 2000 woont zij samen met [naam] en haar meerderjarige zoon. De Svb heeft, na een aanvankelijke intrekking van de nabestaandenuitkering, het huishouden van appellante als een meerpersoonshuishouden aangemerkt en heeft daarom het recht op nabestaandenuitkering van appellante gecontinueerd.

1.2.

Nadat appellante de Svb had geïnformeerd over de verhuizing van haar zoon, is de nabestaandenuitkering bij besluit van 20 september 2007 per 30 september 2007 beëindigd, op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam]. Nadat de zoon weer samenwoonde met appellante, is het recht op nabestaandenuitkering hervat per februari 2008.

1.3.

Op 1 september 2008 heeft appellante aan de Svb doorgegeven dat haar zoon per 25 augustus 2008 niet meer thuis woonde. In reactie daarop heeft de Svb op 5 september 2008 aan appellante meegedeeld dat dit geen gevolgen had voor het recht op nabestaandenuitkering.

1.4.

Bij besluiten van 9 juni 2015 heeft de Svb de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering ingetrokken met ingang van 1 februari 2012 en de vanaf die datum onverschuldigd betaalde uitkering van € 48.717,84 van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 september 2008 niet meer voldeed aan de voorwaarden voor de nabestaandenuitkering, omdat na de verhuizing van haar zoon sprake was van een gezamenlijke huishouding. Omdat appellante niet juist is geïnformeerd door de Svb, maar wel had kunnen onderkennen dat haar nabestaandenuitkering ten onrechte werd verleend, is besloten voor de helft van de periode waarover ten onrechte uitkering is verstrekt af te zien van de intrekking.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 11 december 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten van 9 juni 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante met ingang van september 2008 niet langer voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een nabestaandenuitkering, omdat vanaf toen geen sprake meer was van een meerpersoonshuishouden maar van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [naam]. Verder is daarbij overwogen dat de Svb, door de intrekking te beperken tot de helft van de periode waarover geen recht bestond op een nabestaandenuitkering, niet heeft gehandeld in strijd met het door hem gevoerde beleid.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij uit de mededeling van

5 september 2008 mocht opmaken dat de Svb vanaf dat moment van oordeel was dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Verder heeft appellante aangevoerd dat het in artikel 3, vierde lid, van de ANW neergelegde onweerlegbaar rechtsvermoeden geen oneindige geldigheid heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven over de intrekking van de nabestaandenuitkering en de terugvordering van de te veel betaalde nabestaandenuitkering.

4.2.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de ANW eindigt het recht op een nabestaandenuitkering, indien de nabestaande in het huwelijk treedt of een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Een gezamenlijke huishouding wordt op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de ANW in ieder geval aanwezig geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat appellant met ingang van september 2008 niet langer voldeed aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering wordt onderschreven. Met het besluit van de Svb van 20 september 2007 staat in rechte vast dat appellante en [naam] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en voor de toepassing van de ANW met gehuwden zijn gelijkgesteld. Voor de beantwoording van de vraag of met ingang van september 2008 sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3, vierde lid, van de ANW uitsluitend van belang of appellante en [naam] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Appellante heeft zelf aangegeven dat daarvan sprake was. Dit betekent dat ook per september 2008 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [naam], zodat geen recht meer bestond op een nabestaandenuitkering.

4.4.

Het standpunt van appellante dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onderdeel d, van de ANW geen oneindige geldigheid heeft, vindt geen steun in de tekst van de wetsbepaling noch in de wetsgeschiedenis. In artikel 3, vijfde lid, van de ANW is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing artikel 3,

vierde lid, onderdeel d, van de ANW. Op grond van artikel 5 van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding wordt voor de toepassing van artikel 3, tweede tot en met zesde lid, van de ANW voor de vaststelling van het recht op nabestaandenuitkering een registratie als bedoeld in artikel 3 in aanmerking genomen indien deze:

a. bestaat op de dag van overlijden van degene met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd dan wel in de periode van twee jaar voorafgaande aan deze dag op enig moment heeft bestaan; of

b. plaatsvindt gedurende de verlening van nabestaandenuitkering.

De Raad leidt hieruit af dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de regelgever is geweest, dat in een situatie als die van appellante, waarin de registratie als gezamenlijke huidhouding gedurende de verlening van de nabestaandenuitkering heeft plaatsgevonden, het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onder d, van de ANW voor onbepaalde tijd geldt.

4.5.

Uit artikel 34, eerste lid, van de ANW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de ANW is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

4.6.

De Svb heeft beleid ontwikkeld voor het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.

4.7.

Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb, zoals die luidden op het moment waarop het bestreden besluit werd genomen, dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Daarbij is van belang de mate waarin een betrokkene en de Svb een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de herziening onevenredig ingrijpend is in het dagelijks leven van de betrokkene.

4.8.

Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van de Raad van

5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), moet het hiervoor onder 4.6 en 4.7 weergegeven beleid van de Svb aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.9.

Niet is gebleken dat de Svb het hiervoor onder 4.6 en 4.7 omschreven beleid in dit geval niet consistent heeft toegepast. De Svb heeft erkend dat de brief van 5 september 2008 onjuist is geweest. In plaats van de nabestaandenuitkering te beëindigen, is deze ongewijzigd voortgezet. De Svb heeft dit zichzelf verweten en heeft daarom de intrekking van de nabestaandenuitkering gematigd tot de helft van de periode waarover wettelijk gezien geen recht op een nabestaandenuitkering bestond. Terecht heeft de Svb appellante verweten dat zij had kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend, waardoor de resterende helft voor haar rekening komt. Al in oktober 2003 is appellante door de Svb geïnformeerd dat, zodra haar zoon niet meer bij haar inwoont, er (mogelijk) sprake zal zijn van een gezamenlijke huishouding. In september 2007 is de nabestaandenuitkering daadwerkelijk beëindigd wegens de verhuizing van haar zoon en korte tijd daarop is deze weer toegekend nadat de zoon weer terugkwam. Ongeveer een half jaar na deze toekenning is de zoon weer verhuisd en had het, gezien de verder ongewijzigde (woon)omstandigheden, in de rede gelegen dat de uitkering weer werd beëindigd. Appellante heeft ter zitting te kennen gegeven dat er wel enige twijfel bestond aan de juistheid van de voortzetting van de uitkering, maar dat zij dacht dat de Svb op basis van de overeenkomst tot kostgangerschap van 29 augustus 2002 tot een ander oordeel was gekomen over de gezamenlijke huishouding. Deze enkele omstandigheid leidt, gelet op de voorgeschiedenis, echter niet tot het oordeel dat appellante geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De overeenkomst was al geruime tijd bij de Svb bekend en heeft in september 2007 niet geleid tot het niet aannemen van een gezamenlijke huishouding. Er was voor appellante in 2008 geen enkel aanknopingspunt dat de Svb ten tijde van de foutieve mededeling van 5 september 2008 tot een gewijzigd inzicht was gekomen over de gezamenlijke huishouding.

4.10.

Nu appellante op geen enkele manier heeft onderbouwd dat de intrekking onevenredig ingrijpend is in haar dagelijks leven, betekent dit dat er, ondanks het feit dat de Svb niet adequaat heeft gereageerd op de melding van appellante van 1 september 2008, voor de Svb geen aanleiding bestond om op grond van het beleid geheel af te zien van de intrekking van de nabestaandenuitkering.

4.11.

Over de terugvordering moet voorop worden gesteld dat de Svb gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hiervoor bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en of sociale – gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Gesteld noch gebleken is dat appellante ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terecht is gekomen, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel van terugvordering kan worden afgezien.

4.12.

Uit 4.1 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moeten worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van

J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md