Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
19/992 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Kortsluiting. Afwijzing verzoek om herziening af. Niet voldaan aan voorwaarden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/992 AOW tot en met 19/994 AOW, 19/996 AOW tot en met 19/999 AOW, 19/1001 AOW, 19/2227 AOW-VV

Datum uitspraak: 11 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 januari 2019, 18/5156 AOW, 18/5157 AOW, 18/5158 AOW, 18/5159 AOW, 18/5351 AOW-VV, 18/5352 AOW-VV, 18/5353 AOW-VV en 18/5359 AOW-VV en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 10 oktober 2018

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 4 februari 2019 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:104).

Verzoeker heeft voorts een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan en nog enkele brieven ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2019. Verzoeker is verschenen. De Svb heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met het besluit van 2 oktober 2017 heeft de Svb verzoeker meegedeeld dat in verband met een beslag van de gemeente Amsterdam met ingang van oktober 2017 een bedrag van

€ 186,91 wordt ingehouden op het pensioen dat verzoeker op grond van de AOW ontvangt. Met het besluit van 30 oktober 2017 heeft de Svb het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 2 oktober 2017 ongegrond verklaard.

1.2.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 16 augustus 2018, voor zover nu nog van belang, het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2017 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat volgens vaste rechtspraak van deze Raad het de Svb niet vrij staat geen medewerking te verlenen aan het gelegde beslag. Daaruit volgt dat de Svb alleen moet bezien of op de juiste wijze uitvoering wordt gegeven aan het beslag, zonder de geldigheid en de omvang ervan te beoordelen. Indien verzoeker het niet eens is met (de omvang of geldigheid van) het beslag moet hij zich tot de burgerlijke rechter wenden. De bestuursrechter moet zich in een geding over derdenbeslag beperken tot de vraag of de Svb is gebleven binnen het kader van het beslag. Die vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord, nu de Svb gemotiveerd uiteen heeft gezet dat bij het aan verzoeker per maand overgemaakte bedrag aan

AOW-pensioen rekening is gehouden met de beslagvrije voet zoals vastgesteld door de beslaglegger.

1.3.

Bij zijn uitspraak van 2 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:104) heeft de Raad, mede op grond van het verhandelde ter zitting, vastgesteld dat het hoger beroep van verzoeker zich uitsluitend richt tegen het onder 1.2 weergegeven onderdeel van de uitspraak van de rechtbank. De Raad heeft de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.1.

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 2 januari 2019. Tevens vraagt hij om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat de Svb het op zijn

AOW-pensioen gelegde beslag niet ten uitvoer mag leggen. Verzoeker legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat alles wat hij in verband met de procedure welke heeft geleid tot de uitspraak van 2 januari 2019 heeft aangevoerd, tot een andere beslissing had moeten leiden dan in die uitspraak weergegeven. Verder stelt hij dat de Raad ten onrechte een deel van de procedure ter behandeling heeft doorgezonden aan een gerechtshof.

2.2.

De Svb heeft verzocht om afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening alsmede afwijzing van het herzieningsverzoek.

3. De voorzieningenrechter komt tot het volgende oordeel.

3.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op de door verzoeker ingediende stukken is sprake van een voldoende spoedeisend belang.

3.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 3.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak

4.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Wat verzoeker heeft aangevoerd, voldoet niet aan deze voorwaarden.

4.2.

Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid

– voor zover al relevant – naar voren heeft gebracht. Wat verzoeker aanvoert is slechts een herhaling van hetgeen hij naar voren heeft gebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 2 januari 2019. Deze feiten en omstandigheden waren de Raad reeds bekend en zijn ook betrokken bij laatstgenoemde procedure. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat onder de hiervoor genoemde omstandigheden geen grond zodat dat verzoek eveneens wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    wijst het verzoek om herziening af;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van

H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

IJ