Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
16/5146 ANW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4710, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb was bevoegd om de proceskostenvergoeding in bezwaar te verrekenen met de vordering uit onverschuldigd betaalde ANW- en AOW-uitkering. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/384
USZ 2019/260
NJB 2019/1883
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5146 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 juli 2016, 16/1110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 5 juli 2019

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.A.L. Timmermans, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2019. Betrokkene is met bericht van verhindering niet verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluiten van 5 oktober 2012 heeft appellant het recht van betrokkene op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) beëindigd, het recht op pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) herzien en een bedrag teruggevorderd van € 130.137,51. Bij beslissing op bezwaar van 29 april 2013 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen eerstgenoemd besluit gegrond verklaard en het bedrag van de terugvordering gewijzigd. Tevens is bij dat besluit aan betrokkene een bedrag van € 874,- aan proceskostenvergoeding toegekend.

1.2.

Bij besluit van 7 oktober 2015 heeft appellant het bedrag van € 874,- aan proceskostenvergoeding in mindering gebracht op de openstaande vordering aan te veel betaalde uitkeringen op betrokkene, welke vordering daardoor een bruto-omvang kreeg van

€ 85.496,58. Het bezwaar tegen dit besluit is door appellant bij beslissing op bezwaar van 15 januari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Hiertoe is overwogen dat appellant ten onrechte de aan betrokkene toegekende proceskostenvergoeding heeft verrekend met een vordering die appellant nog op haar had, omdat hiertoe een wettelijke grondslag ontbreekt. Volgens de rechtbank hebben de artikelen 45 van de ANW en 17i van de AOW betrekking op de verrekening van de boete en is er in de ANW en AOW geen bepaling opgenomen, zoals artikel 60a van de Wet werk en bijstand (WWB), die de verrekening van de proceskostenvergoeding met een vordering van appellant mogelijk maken.

3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de artikelen 45 van de ANW en 17i van de AOW weliswaar betrekking hebben op de verrekening van een opgelegde boete, maar dat deze artikelen in artikel 54 van de ANW respectievelijk artikel 24a van de AOW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op de terugvordering van een onverschuldigde betaling. Hiermee is voldaan aan de in artikel 4:93 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde voorwaarde dat er een wettelijke grondslag moet zijn om tot verrekening met proceskosten over te gaan. Omdat een dergelijke “van overeenkomstige toepassingverklaring” niet was opgenomen in de WWB en wel in de andere socialezekerheidswetten is met de Verzamelwet SZW 2013 enkel artikel 60a van de WWB gewijzigd. Een wijziging van de andere socialezekerheidswetten was niet noodzakelijk.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij wet van 25 juni 2009, Stb. 2009, 264 is de vierde tranche van de Awb vastgesteld. Deze wet is op 1 juli 2009 in werking getreden. Daarbij is onder meer titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden ingevoerd. Het in deze titel opgenomen artikel 4:93 bepaalt dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts mogelijk is voor zover de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. De Memorie van Toelichting (MvT) bij deze bepaling (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, blz. 41) vermeldt dat gezien het uiteenlopende karakter van de taken van bestuursorganen, het in algemene zin toestaan van verrekening van met die taken samenhangende geldschulden in beginsel ongewenst is. Het is om die reden van belang dat verrekening slechts kan plaatsvinden indien daarvoor in bijzondere wetgeving een voorziening is getroffen.

4.2.

In artikel 45 van de ANW en in artikel 17i van de AOW is voor verrekening door appellant van een aan een belanghebbende opgelegde bestuurlijke boete met (onder meer) een uitkering op grond van de ANW en op grond van de AOW een voorziening getroffen. Bij Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), in werking getreden op 1 juli 2013, is in artikel 45 van de ANW en in artikel 17i van de AOW een tweede lid opgenomen, waarin is bepaald dat, onverminderd het eerste lid, appellant de bestuurlijke boete kan verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, op hem heeft. Artikel 45 van de ANW en artikel 17i van de AOW zijn in respectievelijk artikel 54 van de ANW en 24a van de AOW van overeenkomstige toepassing verklaard op beslissingen inzake terugvordering van onverschuldigd betaalde ANW- en AOW-uitkering. Dit betekent dat voor verrekening van onder meer een verschuldigde kostenvergoeding met een vordering uit hoofde van onverschuldigd betaalde ANW- en AOW-uitkering een wettelijke grondslag aanwezig is. De Raad vindt voor dit oordeel steun in de in de MvT (Kamerstukken II 2012-2013, 33556, nr. 3) op de Verzamelwet SZW 2013 onder artikel I onder onderdeel B gegeven toelichting. De wetgever heeft daar opgemerkt: “Het verrekeningsartikel van de boete, waarin het nieuwe artikellid wordt opgenomen, is van overeenkomstige toepassing verklaard op de terugvordering van de onverschuldigde betaling, zodat een aan een belanghebbende toekomende schadevergoeding of proceskostenvergoeding kan worden verrekenend met een uitkering of toeslag van het bestuursorgaan, een uitkering of toeslag van een ander bestuursorgaan of een opgelegde boete.”

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wordt appellant dus gevolgd in het betoog dat in de artikelen 54 van de ANW en 24a van de AOW een wettelijke grondslag kan worden gevonden voor de verrekening van de proceskosten met de openstaande vordering uit onverschuldigde betaling die appellant op betrokkene heeft.

4.4.

Het betoog van betrokkene dat appellant de kosten van vergoeding voor rechtsbijstand niet had mogen verrekenen met de openstaande vordering omdat aan betrokkene een toevoeging was verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, slaagt niet. Hiervoor wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4256, in welke uitspraak is geoordeeld dat de verrekening tussen het bestuursorgaan en de betrokkene feitelijk voorgaat op de betaling aan een derde, te weten de rechtshulpverlener. In aanvulling hierop wordt nog gewezen op de reactie van de Raad voor de Rechtsbijstand in het Advocatenblad van 30 juni 2017 naar aanleiding van het artikel “Slecht procederen is lonend bij toevoegingen”, met betrekking tot het in deze gevallen gevoerde beleid.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellant bevoegd was om de proceskostenvergoeding in bezwaar te verrekenen met de vordering uit onverschuldigd betaalde ANW- en AOW-uitkering. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van

R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) R.H. Budde

IvR