Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
10-07-2019
Zaaknummer
17-2089 ANW-G
Formele relaties
Rectificatiebesluit: ECLI:NL:CRVB:2019:2244
Gerectificeerde uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2019:629
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2019:2244 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2019:629. Gezamenlijk huishouding. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Zorgdragen voor elkaar. Objectieve criteria. Hoofdverblijf in dezelfde woning niet aannemelijk gemaakt. Geen gezamenlijke huishouding. Svb was niet bevoegd de nabestaandenuitkering over de periode 1 juli 2009 tot 25 april 2011 in te trekken en terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2089 ANW-G

Datum uitspraak: 12 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2017, 15/5184 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. de Jong, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2018. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving sinds 1 december 1994 een nabestaandenuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) voor een alleenstaande. Betrokkene staat sinds 1 juli 1993 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba), thans: basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 8 januari 2014 dat betrokkene vanaf de zomer van 2003 samenwoont met [naam X] (X), hebben handhavingsmedewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Svb (handhavingsmedewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende nabestaandenuitkering. In dat kader hebben de handhavingsmedewerker dossieronderzoek verricht, gegevens opgevraagd, onder meer over het waterverbruik op het uitkeringsadres, in de periode van 14 februari 2014 tot en met 4 juli 2014 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en op 25 juli 2014 een aangekondigd huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Bij dat huisbezoek hebben de handhavingsmedewerkers samen met betrokkene een checklist ingevuld die wordt gebruikt voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding (checklist) en die door betrokkene is ondertekend en heeft betrokkene een verklaring afgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een handhavingsrapport van 29 juli 2014.

1.3.

Bij afzonderlijke besluiten van 1 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juli 2015 (bestreden besluit), heeft de Svb de nabestaandenuitkering van betrokkene met ingang van 1 augustus 2009 ingetrokken en de over de periode van augustus 2009 tot en met juli 2014 gemaakte kosten van nabestaandenuitkering tot een bruto bedrag van € 71.524,31 van betrokkene teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat betrokkene vanaf 1 juli 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met X op het uitkeringsadres en dat betrokkene, door hiervan geen melding te maken, niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting. De Svb heeft hierbij betekenis toegekend aan de ingevulde checklist, de door betrokkene tijdens het huisbezoek op 25 juli 2014 afgelegde verklaring, het waterverbruik op het uitkeringsadres en aan de verklaringen van twee buurtbewoners uit de omgeving van het uitkeringsadres. De handhavingsmedewerkers hebben deze buurtbewoners gehoord hangende het bezwaar tegen de besluiten van 1 september 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de intrekking en terugvordering over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 25 april 2011 en de besluiten van 1 september 2014 in zoverre herroepen. De rechtbank heeft de onderzoeksbevindingen van de Svb niet voldoende geacht om de conclusie te kunnen dragen dat al vanaf 1 augustus 2009 sprake was van wederzijdse zorg tussen betrokkene en X. In het bijzonder heeft de rechtbank aan de verklaring van betrokkene op 25 juli 2015 niet hetzelfde gewicht toegekend als de Svb. De verklaringen van een tweetal buren kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Op 26 april 2011 heeft X de eerste overschrijving van € 200,- naar de bankrekening van betrokkene laten plaatsvinden. De rechtbank heeft dit als een concreet aanknopingspunt aangemerkt om het bestreden besluit met ingang van die datum in stand te laten.

3.1.

In hoger beroep heeft de Svb zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Svb heeft, kort weergegeven, betwist dat onvoldoende grondslag bestaat voor de conclusie dat reeds vanaf augustus 2009 sprake was van wederzijdse zorg. Betreffende het hoofdverblijf stelt de Svb zich op het standpunt dat X in ieder geval vanaf juli 2009 zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres.

3.2.

Betrokkene heeft in het verweerschrift, kort weergegeven, verzocht het oordeel van de rechtbank over te nemen voor wat betreft de wederzijdse zorg. Bovendien stelt betrokkene dat geen sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf vanaf 1 augustus 2009 tot 25 april 2011.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat betrokkene en X vanaf 25 april 2011 een gezamenlijke huishouding voeren. Het geding is beperkt tot de vraag of betrokkene en X in de periode van 1 juli 2009 tot 25 april 2011 (periode in geding) een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.2.

Het besluit tot intrekking van een nabestaandenuitkering is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan de Svb is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan in beginsel op de Svb rust.

4.3.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw, voor zover hier van belang, is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de zorg van een hulpbehoevende.

4.4.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5.

Allereerst zal worden beoordeeld of in de periode in geding is voldaan aan het criterium van gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning.

4.6.

Betrokkene en X stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de gba ingeschreven. Dat gegeven staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat het uitkeringsadres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.7.

Betrokkene heeft op 25 juli 2014 onder meer het volgende verklaard:

“Wij kennen elkaar sinds 2002 december via zomercarnaval. (…) In 2003 gingen we af en toe leuke dingen doen, maar bleef hij niet vaak bij mij. Ik denk dat vanaf eind 2011 hij vaker op mijn adres verbleef dit ivm gezondheid. Ik had een knieoperatie ondergaan. Hij verbleef niet dagelijks, ik weet niet hoe vaak precies. In ieder geval het weekend vrijdag tot maandag. (…) Ik denk dat vanaf eind 2011 hij er meer was dan niet. U vertelt mij dat er is waargenomen aan mijn adres en dat u hem heeft gezien. Dat klopt vanaf 8 juli 2013 verblijft hij het merendeel op mijn adres. (…) U vraagt mij wat de buren zouden zeggen als u vraagt wie er op het adres woont. (…) U vraagt mij of ze zouden zeggen dat hij hier 2 jaar woont of 10 jaar. Ik weet het niet. Ja kan het allemaal niet zo goed herinneren. Ik probeer terug te denken vanaf wanneer hij hier is komen wonen. Mijn kleindochter [A] is juli 2009 geboren, toen zat mijn vriend hier het merendeel. Vanaf die datum verblijven wij samen op mijn adres. Vanaf eind 2011 is hij hier elke dag en woont hij hier.”

Uit deze verklaring blijkt niet eenduidig dat X vanaf juli 2009 zijn hoofdverblijf bij betrokkene had. Zo heeft betrokkene ook meerdere keren verklaard dat X vanaf eind 2011 bij haar verbleef. Het had op de weg van de handhavingsmedewerkers gelegen om hierop door te vragen, teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de inconsistenties in de verklaring van betrokkene. Nu de handhavingsmedewerkers dat hebben nagelaten, kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat X al vanaf 1 juli 2009 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Ook de verklaringen van de buren van betrokkene geven geen aanleiding om aan te nemen dat X in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Beide buren hebben verklaard dat X daar al woont sinds zij daar wonen, te weten sinds 2005 en november 2009, en dat X ’s ochtends in een jeep wegrijdt. Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat die auto eerst in november 2012 is aangeschaft. Reeds om die reden kan er niet van worden uitgegaan dat de verklaringen van de buren ook betrekking hebben op de periode in geding. Het waterverbruik biedt evenmin een feitelijke grondslag voor het standpunt van de Svb dat X in de periode in geding zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Dat verbruik is namelijk sinds juli 2009 niet hoger dan in de voorafgaande jaren. Daaruit blijkt dus niet dat er in juli 2009 op het uitkeringsadres een persoon is bijgekomen.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene en X gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad, zodat niet is voldaan aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding.

4.9.

Uit wat onder 4.8 is overwogen, volgt dat in de periode in geding geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, zodat de Svb niet bevoegd was de nabestaandenuitkering over die periode in te trekken en terug te vorderen. Gelet hierop kan de beroepsgrond van de Svb over de wederzijdse zorg buiten bespreking blijven.

4.10.

Gelet op 4.9 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Aangezien het hoger beroep van de Svb niet slaagt, bestaat aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    bepaalt dat van de Svb griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2019.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

RB