Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
18/1265 VALYS
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag hoog persoonlijk kilometer budget terecht afgewezen. Voldoende zorgvuldig onderzoek. Geen sprake van valgevaar. Geen medische redenen waarom katheteriseren op de stations of verlenging van de reis daardoor onverantwoord zou zijn. De artsen hebben zich op basis van de aanwezige (medische) gegevens een voldoende duidelijk beeld kunnen vormen van de beperkingen van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1265 VALYS

Datum uitspraak: 23 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 januari 2018, 17/2188 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

FMMU Advies B.V. (FMMU)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.A.A.M Mijland hoger beroep ingesteld.

Namens FMMU heeft mr. E.S. Träger een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mijland en vergezeld van haar echtgenoot [naam echtgenoot] . FMMU heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Träger.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1956, is onder meer bekend met Multi Systeem Atrofie-Parkinsonisme (MSA-P) en moet katheteriseren. Appellante beschikt over een Valyspas. Op

3 juli 2017 heeft appellante een hoog persoonlijk kilometer budget (pkb) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 7 augustus 2017 heeft FMMU de aanvraag van appellante afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 30 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft FMMU het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2017 ongegrond verklaard. Appellante wordt volgens artsen van FMMU in staat geacht om met de trein te reizen, al dan niet met begeleiding of hulpmiddelen. Appellante kan met gebruik van de (elektrische) rolstoel met de regiotaxi naar het station worden gebracht en daar zittend in de rolstoel in de trein worden geholpen. Indien nodig kan op tussengelegen stations gebruik worden gemaakt van een aangepast toilet. Van het eindstation naar de plaats van bestemming kan gebruik worden gemaakt van Valys Basis.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, onder meer, het volgende overwogen. FMMU hanteert bij de beoordeling van een aanvraag van een hoog pkb de criteria als opgenomen in het Indicatieprotocol Hoog Persoonlijk Kilometer Budget (Protocol), waaronder het criterium dat de aanvrager door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek niet in staat is met de trein te reizen. De in het Protocol neergelegde toekenningscriteria gaan de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. FMMU heeft zorgvuldig onderzoek verricht naar de chronische medische beperkingen van appellante en heeft uit mogen gaan van de bevindingen van dit onderzoek. Door een arts van FMMU is op de door appellante in beroep overgelegde (medische) stukken gereageerd en uitgelegd op welke wijze appellante met de trein kan reizen, dat op deze wijze geen sprake is van valgevaar voor appellante en dat er geen medische redenen zijn waarom katheteriseren op de stations of verlenging van de reis daardoor onverantwoord zou zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om de arts hierin niet te volgen.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en verwezen naar de gronden in bezwaar. Zij heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek en dat FMMU niet heeft mogen afgaan op het oordeel van de artsen. Deze hebben appellante nooit gezien en haar ook niet gesproken. Volgens appellante kan zij niet met de trein reizen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante in hoger beroep onder andere een indicatiebesluit van CIZ van 1 juni 2018 en brieven van de fysiotherapeut van 20 november 2018, van de huisarts van 25 november 2018, van de neuroloog van 17 oktober 2018 en 19 juli 2018, van de intensivist van 19 februari 2018 en van de longarts van 15 februari 2018 overgelegd. Ter zitting heeft appellante benadrukt dat de wijze van reizen met de trein die FMMU voorstaat een theoretische is die veel meer tijd in beslag zal nemen dan reizen met Valys.

3.2.

FMMU heeft in verweer aangevoerd dat een lichamelijk onderzoek of persoonlijk gesprek achterwege kan blijven, omdat de beperkingen ten aanzien van het reizen per trein duidelijk zijn. FMMU heeft op de door appellante in hoger beroep overgelegde (medische) stukken gereageerd en toegelicht waarom deze stukken niet tot een ander standpunt leiden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daarop betrekking hebbende overwegingen zoals weergegeven onder 2.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht geeft geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De omstandigheid dat de artsen van FMMU, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet met appellante zelf hebben gesproken en dat zij appellante niet lichamelijk hebben onderzocht, betekent niet dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De artsen hebben zich op basis van de aanwezige (medische) gegevens een voldoende duidelijk beeld kunnen vormen van de beperkingen van appellante. De in hoger beroep overgelegde (medische) stukken geven evenmin aanleiding voor een ander oordeel. De informatie in deze stukken was deels al bekend en heeft deels geen betrekking op de periode hier in geding, die loopt van 3 juli 2017 tot en met 30 augustus 2017.

4.3.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.2 is overwogen betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) R.P.W. Jongbloed

IJ