Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
18/1 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat in het voorliggende geval aannemelijk is geworden dat appellante in ieder geval ten tijde van de controle niet woonde op haar brp-adres. Verklaringen appellante niet consistent en zij zijn gedeeltelijk tegenstrijdig. Overgelegde reisgegevens maken niet dat zij als uitwonende studerende kan worden aangemerkt. Feitelijk wonen op brp-adres is daarvoor vereist. Eén adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/1 WSF

Datum uitspraak: 26 juni 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 november 2017, 17/2882 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.P van Marle, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Marle. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante stond van vanaf 9 maart 2016 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres 1] in [woonplaats]. Zij heeft vanaf 1 april 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

In de periode 26 september 2016 tot en met 3 november 2016 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.3.

Bij besluit van 18 november 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 30 maart 2017 (bestreden besluit), heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 april 2016 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is in totaal een bedrag van € 1.447,46 van haar teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich op basis van het rapport dat van het onderzoek is opgemaakt op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is geworden dat appellante ten tijde van de controle niet op haar

brp-adres woonachtig was.

3. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de herziening stand kan houden. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij feitelijk op twee adressen woont, waaronder ook het brp-adres. Toevallig lagen daar ten tijde van de controle minder spullen van haar, maar dat had ook best anders kunnen zijn. In ieder geval, zo is ook uit het onderzoek wel gebleken, woont zij niet bij haar moeder.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Waar iemand woont, moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2.

De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat in het voorliggende geval aannemelijk is geworden dat appellante in ieder geval ten tijde van de controle niet woonde op haar

brp-adres. Waar appellante stelt, ook als wordt aangenomen dat zij sinds april 2016 op zowel het brp-adres verblijft als op het adres van haar oudere nicht, dat zij ten tijde van de controle ongeveer een half jaar – ook – op dat adres woonde, valt redelijkerwijs te verwachten dat zich op het brp-adres meer specifiek tot haar te herleiden zaken bevinden waaruit kan worden afgeleid dat zij daar woont. Niet alleen de zeer beperkte hoeveelheid tot appellante te herleiden spullen maakt dat aannemelijk is dat zij niet woonde op het brp-adres, maar ook dat op de als kamer van appellante getoonde kamer vrijwel uitsluitend spullen lagen die aantoonbaar toebehoorden aan haar jongere nicht en een andere slaapplek voor haar op dat adres in ieder geval op dat moment niet beschikbaar was. De verklaringen die appellante voor de aangetroffen situatie heeft gegeven, zijn niet consistent en zij zijn gedeeltelijk tegenstrijdig, zodat zij daarmee de bevindingen van de controleurs niet heeft kunnen weerleggen.

4.3.

Uit de gegevens in het dossier, waaronder de in hoger beroep overgelegde reisgegevens van appellante, volgt weliswaar dat kan worden aangenomen dat appellante ten tijde van de controle niet op het adres van haar moeder woonde, maar dat maakt niet dat zij als uitwonende studerende kan worden aangemerkt. Daarvoor is immers tevens vereist dat zij feitelijk woont op het adres waaronder zij in de brp is ingeschreven.

4.4.

Dat niet kon worden vastgesteld dat appellante ten tijde van de controle woonde op haar brp-adres omdat zij, zoals zij het zelf omschrijft, ervoor heeft gekozen te wonen op meer adressen dan alleen het adres waaronder zij was ingeschreven, is, gelet op het feit dat iemand slechts onder één adres kan worden ingeschreven in de brp, iets dat voor haar risico komt. Zouden de controleurs, zoals appellante heeft voorgestaan, de woonsituatie op [adres 2] mede bij de beoordeling hebben betrokken en zouden aldaar dan diverse aan appellante toebehorende spullen zijn aangetroffen, dan zou dat niet tot een andere conclusie hebben geleid, omdat die spullen zich dan zouden hebben bevonden op een adres waaronder appellante nu juist niet in de brp was ingeschreven.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) D.S. Barthel

md