Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
17/2986 WMO15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1733, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag WMO-maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing bestaande uit het realiseren van een natte cel op de begane grond terecht afgewezen. De gevraagde woningaanpassing was niet adequaat en een wel adequate woningaanpassing zou ingrijpend en kostbaar zijn. Geen zwaarwegende omstandigheden om niet te verhuizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2986 WMO15

Datum uitspraak: 23 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 maart 2017, 16/851 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante, wettelijk vertegenwoordigd door haar zoon [naam zoon] , heeft

mr. E.M.H. Geubbels hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. F.K. van Wijk heeft bericht dat zij de vertegenwoordiging voortzet.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Namens appellante is verschenen mr. Van Wijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Arslan en

J. Seck.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 27 januari 2016 (bestreden besluit) waarbij het college, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 9 september 2015 heeft gehandhaafd, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Bij het besluit van 9 september 2015 heeft het college de aanvraag van appellante om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in de vorm van een woningaanpassing bestaande uit het realiseren van een natte cel op de begane grond afgewezen.

1.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, samengevat, overwogen dat het college de woningaanpassing mocht weigeren, maar dat de door het college daaraan ten grondslag gelegde motivering onvoldoende was. De rechtbank heeft overwogen dat appellante moet worden beschouwd als rolstoelafhankelijk, dat een adequate douchegelegenheid daarop moet zijn afgestemd en dat de toiletruimte op de begane grond samen met de trapkast te klein is om een douchegelegenheid te realiseren die plaats biedt aan een verrijdbare douchestoel en een zorgverlener. Als deze voorziening zou worden gerealiseerd, is niet gegarandeerd dat appellante de komende jaren thuis zou kunnen blijven wonen, nu de woning ook niet rolstoel toe- en doorgankelijk is. Ter zitting van de rechtbank heeft het college bovendien nader toegelicht dat de gevraagde woningaanpassing niet adequaat was, dat een wel adequate woningaanpassing ingrijpend en kostbaar zou zijn en dat er geen zwaarwegende omstandigheden zijn om niet te verhuizen. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen volgens de rechtbank daarom in stand blijven.

2. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen.

3.2.

De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom de rechtsgevolgen van het (vernietigde) bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

3.3.

De Raad onderschrijft de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. Ook ter zitting van de Raad is gebleken dat het college alle voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij zijn besluitvorming.

3.4.

Uit wat is overwogen onder 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen

IJ