Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
10-07-2019
Zaaknummer
15/2693 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Met de aan bestreden besluit II ten grondslag gelegde FML van 18 januari 2018 heeft de deskundige ingestemd. Hieruit volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit II juist is. De voor de schatting geselecteerde functies zijn geschikt voor appellant. Juiste arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 2693 WIA

Datum uitspraak: 4 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
11 maart 2015, 14/1066 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. D.C. Heijstek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. L. van de Vrugt, advocaat, aanvullende gronden en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft hierop gereageerd bij brief van 31 oktober 2016. Namens appellant is hierop gereageerd bij brief van 16 januari 2017.

Het Uwv heeft op 1 maart 2017 een nieuw besluit genomen. Namens appellant is hierop gereageerd bij brief van 3 maart 2017. Het Uwv heeft hierop gereageerd bij brief van

1 mei 2017.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

De Raad heeft als deskundige benoemd J.W. Peterse, psychiater. Deze deskundige heeft op
26 april 2018 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben gereageerd op dit rapport.

Op verzoek van de Raad heeft Peterse op 20 augustus 2018 een nadere reactie gegeven.

De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Appellant heeft een verzoek ingediend ter veroordeling van het Uwv tot vergoeding van geleden schade.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Vrugt en M.J.A. van den Bogaart. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was in dienst van het Ministerie van Financiën werkzaam te Zwolle als behandelfunctionaris bij de Belastingdienst voor 36 uren per week. Op 7 oktober 2010 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Appellant heeft op 27 juli 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Het Uwv heeft de werkgever van appellant een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van 52 weken opgelegd, omdat het re-integratieresultaat onvoldoende werd bevonden. Naar aanleiding van de voornoemde aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv medisch onderzoek verricht, beperkingen vastgesteld voor het verrichten van arbeid en deze neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 augustus 2013. Uitgaande van deze FML zijn voor appellant geschikte functies geduid op basis waarvan is berekend dat appellant 32,36% arbeidsongeschikt is. Dit heeft ertoe geleid dat het Uwv bij besluit van
18 september 2013 heeft geweigerd appellant per 3 oktober 2013 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv bij beslissing op bezwaar van
19 maart 2014 (het bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 maart 2014 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort gezegd, geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 3 oktober 2013 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat en dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een rapport van psychiater N. Kaymaz van 27 september 2016, een rapport van bedrijfsarts drs. Heijstek van 16 januari 2017 en een arbeidsdeskundig functie beoordelingsonderzoek van
6 oktober 2016 overgelegd. Verder heeft hij verwezen naar informatie van psychiater G.M.G.I. Ramaekers.

3.2.

Het Uwv heeft vervolgens op 1 maart 2017 een gewijzigde beslissing op bezwaar

(het bestreden besluit II) genomen en appellant alsnog per 3 oktober 2013 een WGA-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35-80%. Hieraan zijn de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 januari 2017 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 februari 2017 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML van 30 augustus 2013 vervangen door de FML van 18 januari 2017. Uitgaande van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep appellant in staat geacht tot het vervullen van de functies samensteller metaalwaren, inpakker en huishoudelijk medewerker en op basis daarvan berekend dat appellant 51,11% arbeidsongeschikt is.

3.3.

Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de FML van 18 januari 2017 onvoldoende tegemoetkomt aan zijn beperkingen. Ter onderbouwing daarvan heeft hij verwezen naar de reeds ingebrachte informatie van psychiater Kaymaz en naar een brief van bedrijfsarts Heijstek van 3 april 2017. In deze brief is door de bedrijfsarts betoogd dat vanwege de door Kaymaz genoemde slaapstoornis en vanwege de noodzaak stress te vermijden meer beperkingen nodig zijn. Verwezen is naar de opmerking van Kaymaz dat iedere voor appellant grote verandering zoals het zoeken naar een andere werkplek, het gaan solliciteren, meer uren gaan werken en het werken in een prikkelrijke omgeving, het risico met zich brengt dat appellant verder achteruit kan gaan (decompenseren) en daardoor zelfs een ernstige depressieve stoornis kan ontwikkelen met suïcidaliteit, bovenop de dysthyme stoornis en sociale fobie die hij per de datum in geding al had. Dit risico heeft zich al gerealiseerd, appellant is gaan decompenseren en heeft een ernstige depressieve stoornis met suïcidaliteit ontwikkeld.

3.4.

Het Uwv heeft in een reactie hierop gesteld dat er geen reden bestaat om meer beperkingen aan te nemen dan vastgesteld in de FML van 18 januari 2017, omdat de door Kaymaz genoemde beperkingen niet gelijk zijn aan de beperkingen die golden per de datum in geding, 3 oktober 2013. Op dat moment werkte appellant immers nog 5 uur per dag en
5 dagen per week.

4.1.

Om meer inzicht te verkrijgen in de psychische beperkingen van appellant heeft de Raad psychiater Peters als deskundige benoemd. De deskundige heeft het dossier en de medische stukken bestudeerd en appellant op 19 februari 2018 gedurende drie uur gezien. Op basis hiervan heeft de deskundige op 26 april 2018 gerapporteerd. Door hem is vastgesteld dat bij appellant op 3 oktober 2013 sprake was van een paniekstoornis met agorafobie, een matig tot ernstige depressieve stoornis naast een vermijdende persoonlijkheidsstoornis, een ernstige slaapstoornis, voortkomend uit een depressieve stoornis en een stoornis in het gebruik van oxazepam. De deskundige heeft zich kunnen vinden in de bij de FML van 18 januari 2017 vastgestelde beperkingen ten aanzien van Persoonlijk en Sociaal functioneren. Hij heeft echter wel aanvullend een beperking ten aanzien van vervoer noodzakelijk geacht. Appellant is volgens hem alleen in staat auto te rijden onder invloed van een hoge dosis oxazepam, maar dit is niet toegestaan. Vanwege zijn paniekklachten is ander type vervoer niet mogelijk. Appellant was volgens de deskundige op de datum in geding ernstig beperkt. De deskundige acht appellant echter wel in staat de geselecteerde functies te verrichten, omdat de beperking in vervoer niet relevant lijkt bij de uitvoering van deze functies.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben zich blijkens hun rapporten van respectievelijk 15 mei 2018 en 18 mei 2018 kunnen vinden in het rapport van de deskundige. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het vermoeden van de deskundige dat de beperking voor vervoer niet strijdig is met de werkzaamheden in de geselecteerde functies bevestigd. Autorijden of een andere wijze van vervoer komt in de functies niet voor en voor het woon-werkverkeer kan een oplossing worden gevonden.

4.3.

Appellant heeft er op gewezen dat de deskundige in zijn rapport niet is ingegaan op de vraag of er sprake is van een slaapstoornis of minder ernstigere slaapproblemen, en welke beperkingen daaruit voortvloeien, en ook niet op de vraag of overige psychische stoornissen al dan niet toe leiden dat stress dient te worden vermeden. De deskundige is daarom om nadere toelichting gevraagd. De deskundige heeft op 20 augustus 2018 gereageerd dat sprake was van een paniekstoornis met agorafobie en een matig tot ernstige depressieve stoornis, naast de vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Er was tevens sprake van ernstige slaapproblematiek die niet op zichzelf stond, maar voorkwam in het kader van de vastgestelde matig tot ernstige depressieve stoornis. Van andere psychische stoornissen was volgens de deskundige geen sprake. Volgens de deskundige wordt binnen de reeds vastgestelde beperkingen de gevoeligheid voor stress voldoende verdisconteerd. Er zijn volgens hem geen andere of zwaardere beperkingen te benoemen op basis van de stressgevoeligheid van appellant.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Nu bestreden besluit II niet geheel tegemoet komt aan de bezwaren van appellant, wordt dit besluit, met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de procedure betrokken en wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II. Nu bestreden besluit I niet is gehandhaafd, omdat alsnog aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend per

3 oktober 2013, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking, dient het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond te worden verklaard en zal dit besluit worden vernietigd.

5.2.

Het bestreden besluit II is gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 mei 2018. Deze verzekeringsarts heeft, op basis van de door appellant genoemde medische informatie van de behandelend psychiater Kaymaz, aanleiding gezien de FML bij te stellen. Deze aangepaste FML van 18 januari 2018 is onderschreven door de deskundige.

5.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Daarbij heeft de deskundige onderbouwd om welke reden de gevoeligheid voor stress voldoende is verdisconteerd in de voor appellant opgestelde FML. De deskundige wordt daarom gevolgd. Met de aan bestreden besluit II ten grondslag gelegde FML van 18 januari 2018 heeft de deskundige ingestemd. Hieruit volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit II juist is.

5.4.

Tegen de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit II zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Op basis van de beschikbare gegevens bestaat er geen aanleiding om het Uwv niet te volgen in de conclusie dat de voor de schatting geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. Er wordt dan ook geconcludeerd dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit II eveneens juist is.

5.5.

Wat in 5.1 tot en met 5.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het beroep van appellant tegen bestreden besluit II ongegrond is.

6.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

6.2.

Voor het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 19 oktober 2013 tot aan de dag van deze uitspraak, vijf jaar en acht maanden zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim anderhalf jaar overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft uitsluitend plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan appellante zal daarom een schadevergoeding van € 2.000,- worden toegekend, te betalen door de Staat.

7. Appellant heeft voorts bij brief van 19 mei 2019 verzocht om een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Op grond van de nu beschikbare gegevens is niet te bepalen of, en zo ja, in welke omvang en vanaf wanneer appellant schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 19 maart 2014. Het onderzoek met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden heropend onder nummer 15/2693 WIA-S. Appellant wordt in de gelegenheid gesteld een gespecificeerde opgave te doen van de in zijn brief van 19 mei 2019, als vermeld onder de punten 1 tot en met 4 en het zevende punt, gestelde schade. Na ontvangst daarvan zal het Uwv in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren.

8. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

8.1.

De in dit verband door appellant gevraagde kosten voor de rechtsbijstand van
drs. Heijstek, mr. Van den Boogaart en mr. Van de Vrugt en de kosten voor het medisch rapport van dr. Kaymaz worden afgewezen, omdat appellant deze kosten niet heeft gemaakt.

8.2.

De door appellant opgevoerde kosten van zijn broer als getuige tijdens de zitting bij de rechtbank komen voor vergoeding in aanmerking ter hoogte van het op het bij de rechtbank ingediende formulier proceskosten bedrag van € 184,90.

8.3.

Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die de broer van appellant heeft gemaakt voor zijn aanwezigheid ter zitting van de rechtbank, ten bedrage van € 22,- en de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor zijn aanwezigheid ter zittingen van de rechtbank en de Raad op basis van openbaar vervoer tweede klasse, ten bedrage van respectievelijk € 22,- en € 28,-. In totaal bedragen de reiskosten dus € 72,-. In totaal zal het Uwv dus een bedrag van € 256,90 aan proceskosten aan appellant dienen te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 maart 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 maart 2017 ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot € 2.000,-;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 15/2693 WIA-S ter voorbereiding van een nadere uitspraak over door appellant gevraagde schadevergoeding;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 256,90;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) R.H. Koopman

KS