Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
08-07-2019
Zaaknummer
18/4777 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Onvoldoende grondslag voor primaire standpunt dat appellante geen woonplaats heeft in de gemeente. Wel voldoende grondslag voor subsidiaire standpunt dat de financiële situatie onduidelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4777 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 2 juli 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 juli 2018, 17/3304 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.H.G.M. Schils, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schils. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Graper en D.A. Rantong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 31 augustus 2007 bijstand van het college, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Zij ontving de bijstand vanaf 1 juli 2014 in aanvulling op inkomsten uit arbeid bij [naam B.V.] te [vestigingsplaats]. Appellante stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, nu basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [A.] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een consulent van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Kerkrade (consulent) heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Kerkrade (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur kennisgenomen van het verslag van een gesprek dat de consulent op 6 december 2016 met appellante had gevoerd. Verder heeft hij dossieronderzoek gedaan, verbruiksgegevens van gas, water en elektra en gegevens over afvalledigingen op het uitkeringsadres opgevraagd, waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres, met een collega daar een buurtonderzoek uitgevoerd, internet (Facebook) geraadpleegd en bankafschriften bij appellante opgevraagd. De sociaal rechercheur heeft samen met de consulent op 13 december 2016 een gesprek met appellante gevoerd. Zij heeft daarbij te kennen gegeven dat zij niet wilde meewerken aan een huisbezoek.

1.3.

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 13 december 2016 beëindigd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden door geen medewerking te verlenen aan het verrichten van een huisbezoek waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.4.

In het kader van het onder 1.2 bedoelde onderzoek heeft de sociaal rechercheur, samen met de consulent, op 2 februari 2017 een vervolggesprek met appellante gevoerd. Alle bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 maart 2017.

1.5.

Bij besluit van 7 maart 2017 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 november 2014 tot 13 december 2016 en de over die periode gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 19.720,09. De besluitvorming berust op het standpunt dat appellante onjuiste informatie heeft verstrekt over haar woon-/leefsituatie, nu zij niet heeft gemeld dat zij haar hoofdverblijf buiten [A.] heeft, en onvolledige informatie over haar financiële situatie heeft verstrekt. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting heeft het college ten onrechte bijstand verleend in de periode in geding. Bij brief van 27 maart 2017 heeft het college het bedrag van de terugvordering nader vastgesteld op € 17.905,56.

1.6.

Bij besluit van 6 september 2017 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

7 maart 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat het college de nodige kennis moet verzamelen over de relevante feiten. Dit betreft de periode in geding die loopt van

1 november 2014 tot 13 december 2016.

Woonplaats

4.2.

Het college heeft het bestreden besluit primair gebaseerd op de stelling dat appellante in de periode in geding geen woonplaats meer had in [A.], zodat zij ingevolge artikel 40, eerste lid, van de PW geen recht jegens het college had.

4.3.

Appellante heeft daartegen aangevoerd dat het college niet met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat het centrum van haar maatschappelijk leven niet meer lag in [A.].

4.4.

Bij de beoordeling van deze beroepsgrond geldt het volgende toetsingskader.

4.4.1.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105), welke haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de PW, is blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, eerste lid, van de PW voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.2.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Vergelijk de uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560.

4.5.

Het college heeft zijn standpunt dat appellante niet meer woonde in [A.] onderbouwd met een verwijzing naar de door appellante op 6 december 2016, 13 december 2016 en 2 februari 2017 afgelegde verklaringen, het buurtonderzoek en de door appellante ingeleverde bankafschriften. Daaruit volgt in de visie van het college dat appellante hoofdzakelijk buiten [A.] verbleef. Deze onderbouwing kan de conclusie dat appellante het centrum van haar maatschappelijk leven in de periode in geding had verplaatst naar een plaats buiten [A.] niet dragen. Het volgende ligt aan dit oordeel ten grondslag.

4.5.1.

Appellante heeft weliswaar verklaard dat zij het merendeel van de tijd bij haar zus in [B.] (Duitsland) verbleef – onder andere omdat deze plaats veel dichter is gelegen bij [vestigingsplaats], waar zij werkte, dan [A.] – maar zij heeft ook verklaard dat zij soms in de weekenden en soms op dinsdag in [A.] was. Het college heeft appellante niet gevraagd naar de precieze duur en frequentie van haar verblijfsperiodes in [A.], zodat daarover geen informatie beschikbaar is. De enkele omstandigheid dat appellante zich niet in een vast patroon in [A.] bevond, betekent, anders dan het college heeft betoogd, op zichzelf niet dat zij daar niet woonde als bedoeld onder 4.4.1. Uit de bevindingen van het buurtonderzoek zou kunnen worden afgeleid dat appellante in de periode in geding misschien niet vaak op het uitkeringsadres aanwezig was, maar die informatie voegt niet veel toe aan de verklaringen van appellante over haar aanwezigheid op het uitkeringsadres. Hetzelfde geldt voor de locaties van pintransacties, zoals die blijken uit haar bankafschriften.

4.5.2.

Appellante heeft verder verklaard dat haar vriendinnen in en rondom [A.] woonden en dat zij de sportschool in [A.] bezocht. Dit duidt op een maatschappelijk leven van appellante in [A.]. Meer informatie daarover is niet voorhanden. Zo heeft het college, naast het onderzoek naar het feitelijk verblijf van appellante op het uitkeringsadres, geen onderzoek gedaan naar feiten en omstandigheden waaruit blijkt waar appellante haar sociale contacten onderhield. Evenmin heeft het college onderzocht waar appellante haar zaken behartigde, waar zij haar administratie bewaarde en waar zij haar goederen en eigendommen beheerde, waar zich haar huisarts, apotheek en tandarts bevonden en waar zij haar telefoon- televisie- en internetaansluitingen had. Informatie over deze elementen van maatschappelijk leven ontbreekt, zodat niet is vast te stellen dat appellante in de periode in geding het centrum van dat maatschappelijk leven in of buiten [A.] had.

4.5.3.

Daden van appellante waaruit blijkt dat zij de wil had om [A.] als woonplaats prijs te geven heeft het college niet gesteld. Uit de onderzoeksbevindingen is een dergelijke wil van appellante ook niet af te leiden.

4.6.

Uit 4.4.1 tot en met 4.5.2 volgt dat de onder 4.3 vermelde beroepsgrond slaagt. De primaire grondslag van het besluit tot intrekking van de bijstand kan dat besluit niet dragen.

Financiële situatie

4.7.

Het college heeft het bestreden besluit subsidiair gebaseerd op het standpunt dat appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen openheid van zaken te geven over haar financiële situatie in de periode in geding. De beschikbare gegevens duiden volgens het college op geldstromen waarvan de aard en omvang niet duidelijk zijn geworden, zodat de behoefte van appellante aan aanvullende bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.8.

Niet in geschil is dat appellante in de periode in geding financiële steun heeft ontvangen van derden, zoals haar vriend, haar ex-partner en haar zus, en daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college. Appellante heeft tegen het standpunt van het college echter aangevoerd dat de financiële steun niet frequent plaatsvond en geen structureel karakter had en tevens dat het niet om substantiële bedragen ging. Om die reden hoefde zij dit niet te melden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.8.1.

De door appellante gestelde omstandigheid dat zij financieel niet frequent en structureel werd ondersteund brengt op zichzelf niet mee dat zij het college daarvan niet op de hoogte moest brengen. Het college had immers tot taak om te onderzoeken in welke mate appellante daarnaast nog behoefte aan aanvullende bijstand had. Verder heeft appellante over de omvang van de geboden steun geen gegevens verstrekt, zodat haar stelling dat het niet om substantiële bedragen ging niet is te verifiëren. De beroepsgrond laat dus onverlet dat geheel of gedeeltelijk werd voorzien in de kosten van levensonderhoud van appellante, dan wel dat zij over onbekende inkomsten beschikte om zelf in die kosten te voorzien.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.10.

Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft in de door haar afgelegde verklaringen gesteld dat zij vrijelijk gebruik kon maken van de auto van haar zus en daarvoor niets hoefde te betalen, dat haar zus en ook haar ex-partner boodschappen voor haar betaalden en dat haar vriend eveneens veel voor haar betaalde, zoals kleding, bioscoop, restaurants en vakanties. Uit de verklaringen van appellante is af te leiden dat zij volgens haar onbeperkt kosten van levensonderhoud en luxe door derden liet betalen. Zij heeft echter niet gespecificeerd met welke bedragen zij op deze wijze financieel werd ondersteund. Daarbij heeft zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat zij de gestelde steun daadwerkelijk ontving. Haar verklaringen daarover zijn daardoor – mede gelet op de verstrekkende inhoud ervan – niet aannemelijk geworden. Overigens heeft appellante geen plausibele verklaring gegeven voor de door het college gesignaleerde discrepantie tussen de hoogte van haar uitgaven en het minimuminkomen waarover zij ingevolge haar dienstverband en de aanvullende bijstand beschikte. Appellante heeft dus haar financiële situatie niet duidelijk gemaakt, zodat haar behoefte aan aanvullende bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.11.

Uit 4.8 tot en met 4.10 volgt dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting ten aanzien van haar financiële situatie heeft geschonden, zodat het recht op bijstand over de periode in geding niet is vast te stellen.

4.12.

Wat onder 4.11 is overwogen betekent dat de subsidiaire grond van het besluit tot intrekking van de bijstand dat besluit wel kan dragen.

Terugvordering

4.13.

Appellante heeft aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW van terugvordering had moeten afzien. Zij heeft ter onderbouwing daarvan gesteld dat de terugvordering mogelijk nadelige gevolgen voor haar heeft, omdat haar salaris volledig opgaat aan haar primaire levensbehoeften. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.13.1.

Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene zou leiden. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

4.13.2.

Wat appellante ter onderbouwing van haar beroepsgrond heeft gesteld brengt – wat daarvan ook zij – niet mee dat sprake is van onaanvaardbare consequenties van de terugvordering. Daarbij is van betekenis dat appellante bij de invordering de bescherming geniet, of deze zo nodig kan inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.14.

Appellante heeft tot slot aangevoerd dat zij ten onrechte niet voorafgaande aan het besluit van 7 maart 2017 is gehoord als bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beroepsgrond slaagt al niet omdat in het tweede lid van dat artikel is bepaald dat het eerste lid niet geldt indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken. Daarbij komt dat appellante nadien ruimschoots gelegenheid heeft gehad om naar voren te brengen wat zij nodig vond en van die mogelijkheid ook gebruik heeft gemaakt.

Conclusie

4.15.

Wat onder 4.7 tot en met 4.14 is overwogen betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2019.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J. Tuit