Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
08-07-2019
Zaaknummer
18/2529 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:2500, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde afgewezen aanvraag bijstand op grond van Bbz 2004. geen nieuwe feiten op grond waarvan nu wel recht is op bijstand. Onvoldoende levensvatbaarheid bedrijf. Grote schuldenlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2529 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 2 juli 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 maart 2018, 17/5831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante exploiteert sinds 1 oktober 2014 het administratiekantoor [naam eenmanszaak] in de vorm van een eenmanszaak. Appellante heeft op 7 juli 2015 een aanvraag ingediend om een bedrijfskrediet en om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Bij besluit van 10 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 december 2015, heeft het college, met verwijzing naar een advies van FBA Adviesgroep (FBA) van 4 september 2015, de aanvraag afgewezen. Appellante heeft op 31 mei 2016 opnieuw bijstand aangevraagd op grond van het Bbz 2004. Bij besluit van 15 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 oktober 2016, heeft het college, met verwijzing naar een advies van FBA van 11 juli 2016, de aanvraag afgewezen. De afwijzingen van de aanvragen zijn in hoger beroep bij afzonderlijke uitspraken van de Raad van 3 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1985 en ECLI:NL:CRVB:2018:2077) in stand gebleven.

1.2.

Appellante heeft op 18 januari 2017 opnieuw bijstand aangevraagd op grond van het Bbz 2004.

1.3.

Bij besluit van 20 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van de aanvraag van 31 mei 2016. Naar aanleiding van die eerdere aanvraag heeft het FBA in het advies van 11 juli 2016 vastgesteld dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is gelet op de forse schulden, de concurrentiepositie, de competenties van appellante en de verwachting dat appellante de taakstellende omzetprognose niet zal behalen. Ten tijde van de aanvraag van 18 januari 2017 was de situatie van appellante, haar bedrijf en haar schulden niet wezenlijk veranderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.2.

Appellante heeft bij haar aanvraag de gerealiseerde bruto omzetcijfers over 2016 en die over de periode van 1 januari 2017 tot en met 24 mei 2017 overgelegd, met de opmerking dat die hoger zijn dan de door FBA in haar advies van 11 juli 2016 geprognosticeerde omzetcijfers. Zij heeft aangevoerd dat dit nieuwe feiten zijn waaruit blijkt dat haar bedrijf wel levensvatbaar is.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft weliswaar haar bedrijf draaiende kunnen houden en in 2016 en begin 2017 een wat hogere omzet gerealiseerd dan de door FBA in haar advies van 11 juli 2016 gestelde prognose, maar dit betekent niet dat deze nieuwe gegevens tot een gewijzigd standpunt over de levensvatbaarheid van haar bedrijf zouden kunnen leiden. In dit verband is van betekenis dat - nog daargelaten dat de gerealiseerde omzet beneden de eigen prognose is gebleven en ook beneden de taakstellende omzet waarvan FBA in haar advies van 11 juli 2016 is uitgegaan - de geprognosticeerde omzet slechts een van de elementen was waarop het negatieve advies van FBA was gebaseerd. Van essentieel belang was de forse schuldenlast van appellante, waarbij de taakstellende omzet nog veel hoger zou uitkomen als deze schuldenlast niet zou worden weggewerkt. Deze schuldenlast is, zoals niet in geschil is, ongewijzigd fors gebleven en bedroeg ten tijde van de aanvraag nog € 105.633,-. Dat het appellante is gelukt het bedrijf draaiende te houden, maakt, anders dan appellante meent, het voorgaande niet anders.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante bij haar aanvraag geen veranderde omstandigheden als bedoeld in 4.1 heeft gesteld en aannemelijk gemaakt.

4.5.

Appellante heeft verder aangevoerd dat de afwijzing van de aanvraag evident onredelijk is, omdat haar bedrijf wel levensvatbaar is. Met de aangevoerde gronden beoogt appellante in feite het debat over de levensvatbaarheid van haar bedrijf alsnog te voeren. Daarin bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2019.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J. Tuit