Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
08-07-2019
Zaaknummer
17/7385 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde financiële bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Recht niet vast te stellen door onduidelijke omvang bijdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7385 PW, 17/7386 PW

Datum uitspraak: 2 juli 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

8 november 2017, 17/3962 en 17/3963 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Moustaïne, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 10 april 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder op het adres [Uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Een sociaal rechercheur van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag (sociaal rechercheur) is in kennis gesteld van de resultaten van een strafrechtelijk onderzoek naar de gedragingen van onder andere de echtgenoot van appellante (X). De sociaal rechercheur heeft naar aanleiding daarvan een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft deze onder meer dossieronderzoek gedaan en kennisgenomen van de bevindingen van het politieonderzoek, waaronder het verslag van een doorzoeking van de woning op het uitkeringsadres, van verhoren van X op 18, 19 en 20 november 2015 en een verhoor van de meerderjarige zoon (Y) van appellante op 8 december 2015. Verder heeft de sociaal rechercheur onder meer diverse registers geraadpleegd, getuigen gehoord en waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. Appellante heeft in het kader van het onderzoek een verklaring afgelegd op

7 juli 2016, evenals X. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 juli 2016.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

5 augustus 2016 (besluit 1) de bijstand van appellante met ingang van 10 april 2012 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van 10 april 2012 tot en met

1 augustus 2016 tot een bedrag van € 55.085,38 van appellante terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met X, dat haar zoon Y bij haar inwoont en dat zij door X, via haar kinderen, en door Y financieel wordt ondersteund. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft het college het teruggevorderde bedrag gebruteerd en daarmee verhoogd tot een bedrag van in totaal € 70.308,40. Het college heeft het bezwaar daartegen bij besluit van 24 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

1.5.

Bij besluit van 30 januari 2017 (besluit 2) heeft het college het teruggevorderde bedrag over het jaar 2016 eveneens gebruteerd en daarmee verhoogd tot een bedrag van in totaal

€ 9.053,79.

1.6.

Bij besluit van 6 juni 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Voor zover hier van belang heeft het college de motivering aangepast en het volgende aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd. Appellante werd in de periode van 10 april 2012 tot en met 6 juli 2016 financieel ondersteund door Y en door X via haar kinderen. Appellante heeft het college niet geïnformeerd over de financiële middelen die zij heeft ontvangen en over de overige financiële steun, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De bijstand moet daarom met ingang van 10 april 2012 worden ingetrokken.

1.7.

Bij afzonderlijk besluit van 6 juni 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante met ingang van 10 april 2012 financieel werd ondersteund door Y, doordat hij geldbedragen op haar bankrekening overmaakte en gas, licht, water en boodschappen voor haar betaalde. Evenmin is in geschil dat appellante hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij niet heeft beseft dat zij dit had moeten melden, nu het om relatief geringe bedragen ging en niet om continue hulp. Voor zover appellante hiermee heeft bedoeld aan te voeren dat zij niet de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, slaagt deze beroepsgrond niet.

4.2.1.

Uit artikel 17, eerste lid, van de PW volgt dat appellante verplicht was melding te maken van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de PW heeft recht op bijstand degene die niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Financiële ondersteuning is dus onmiskenbaar een feit dat van betekenis kan zijn voor het recht op bijstand. Het gaat hier om een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Voor zover appellante heeft bedoeld te betogen dat haar van het niet nakomen van die verplichting geen verwijt kan worden gemaakt, treft dit betoog daarom geen doel.

4.2.2.

Uit het voorgaande volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de financiële steun die zij van Y ontving. Anders dan appellante heeft betoogd, doet hieraan niet af dat de steun volgens haar niet regelmatig en niet frequent was en het volgens haar slechts bedragen van geringe omvang betrof. Door deze bijdragen van Y niet te melden heeft appellante het college immers de mogelijkheid ontnomen om te beoordelen of en, zo ja, in welke mate die bijdragen van invloed waren op haar recht op bijstand. Dat appellante dat niet heeft beseft komt voor haar rekening.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende inkomensvoorziening of bijstand zouden hebben gehad.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het recht op bijstand wel is vast te stellen. Voor zover zij daarmee heeft bedoeld te stellen dat zij het onder 4.3 bedoelde bewijs heeft geleverd, slaagt deze beroepsgrond niet.

4.4.1.

Appellante heeft geen duidelijkheid verschaft over de frequentie en de omvang van de financiële steun die zij van Y ontving en haar stelling dat het slechts ging om incidentele en niet noemenswaardige bijdragen heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Vaststaat dat Y gas, licht en water voor appellante betaalde en ook boodschappen. Welke bedragen daarmee waren gemoeid, heeft appellante niet duidelijk gemaakt. Appellante heeft verklaard dat zij daar waar nodig een beroep op Y kon doen. Hij maakte, zoals niet in geschil is, bedragen over op haar bankrekening, maar zij heeft niet duidelijk gemaakt of hij haar daarnaast ook contant bedragen verstrekte als zij een beroep op hem deed. Voor de stelling van appellante dat het hier om incidentele bijdragen van geringe omvang ging, is geen steun te vinden in de bankafschriften, noch in de overige gedingstukken. Anders dan appellante heeft betoogd, zijn dus onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om het recht op bijstand, eventueel schattenderwijs, te kunnen vaststellen.

4.5.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat bestreden besluiten 1 en 2 in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel en met het evenredigheidsbeginsel, nu het college haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om waar nodig inzicht te verschaffen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.1.

Uit 4.3 volgt dat het op de weg van appellante lag om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij recht op, eventueel aanvullende, bijstand had gehad als zij de inlichtingenverplichting niet zou hebben geschonden. Het college behoefde haar daartoe niet uitdrukkelijk en meer dan is gebeurd, in de gelegenheid te stellen.

4.6.

Wat onder 4.2 tot en met 4.5.1 is overwogen, betekent al dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of zij vanaf 10 april 2012 nog recht op bijstand had. Wat er zij van de financiële steun van X aan appellante kan hier dan ook onbesproken blijven.

4.7.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de intrekking van de bijstand in rechte stand houdt. Appellante heeft over de terugvordering geen afzonderlijke beroepsgronden ingediend, zodat deze eveneens onbesproken kan blijven.

4.8.

Gelet op 4.2 en 4.7 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2019.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J. Tuit