Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
18/3811 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering terecht herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en teruggevorderd. Appellant stond in de brp ingeschreven onder hetzelfde adres als zijn vader. De herziening heeft plaatsgevonden ruimschoots voor het einde van de in artikel 7.1, derde lid, van de Wsf 2000 opgenomen termijn van 18 maanden, te rekenen vanaf het einde van het studiefinancieringstijdvak. Nu geen sprake is geweest van een herhaalde fout als bedoeld in het beleid en appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat de toekenning onjuist was, is de herziening met dat beleid in overeenstemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/186 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/3811 WSF

Datum uitspraak: 26 juni 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2018, 17/4851 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

Als getuigen zijn gehoord [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 7 december 2015 aan appellant met ingang van 1 januari 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 6 december 2016 is de toekenning gecontinueerd.

1.2.

Bij besluit van 4 maart 2017 heeft de minister de hoogte van de toegekende studiefinanciering aangepast en appellant als thuiswonende studerende aangemerkt, omdat hij in de basisregistratie personen (brp) vanaf 1 januari 2016 is ingeschreven onder hetzelfde adres als zijn vader. Een bedrag van € 2.897,70 is daarbij van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 10 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 maart 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister in de omstandigheden van het geval geen aanleiding behoefde te zien met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening en terugvordering. De wetgever heeft er expliciet voor gekozen om de inschrijving in de brp bepalend te laten zijn, met name zodat het eenvoudig is vast te stellen of de student uitwonend is of niet. Gelet op deze duidelijke keuze van de wetgever kent de rechtbank geen betekenis toe aan de feitelijke situatie, zoals die door appellant is gesteld. Voor dit oordeel ziet de rechtbank steun in de uitspraak van de Raad van onder meer 30 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6039, waarin de rechtspraak blijkend uit de uitspraak van 25 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9728, is bevestigd. Hierin ging het ook om verschillende woonruimtes met hetzelfde adres. Uit de uitspraak van de Raad van 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2556, blijkt verder dat ook de omstandigheden die hebben geleid tot het gemeenschappelijke woonadres, niet van betekenis zijn bij het toepassen van de hardheidsclausule. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat de minister nader onderzoek in de vorm van een huisbezoek had moeten doen. Een huisbezoek met als resultaat een vaststelling van een feitelijke situatie leidt nergens toe, omdat aan deze feitelijke situatie geen betekenis toekomt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft naar voren gebracht dat er strikt genomen sprake is van één adres, maar dat zijn feitelijke woonsituatie die van een uitwonende is. Hij heeft daartoe gewezen op de bijzondere woonsituatie. Vergelijking met de situaties in de uitspraken waarop de rechtbank heeft gewezen is niet (goed) mogelijk omdat de situatie van appellant zich kenmerkt door bijzondere omstandigheden die in de genoemde uitspraken niet aan de orde waren. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister in de bijzondere omstandigheden geen aanleiding behoefde te zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule zoals opgenomen in artikel 11.5 van de Wsf 2000.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de brp staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de brp staat of staan ingeschreven.

4.1.3.

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

4.1.4.

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan de minister de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.

In geschil is de herziening van de studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende over de periode van januari 2016 tot en met maart 2017 en de daaruit voortvloeiende terugvordering. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gedurende deze periode in de brp stond ingeschreven onder hetzelfde adres als zijn vader. Hij heeft in die periode dan ook niet voldaan aan de verplichtingen om in aanmerking te komen voor studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende, zoals door de wetgever is bepaald in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Daarom is appellant in die periode voor zijn recht op studiefinanciering niet aan te merken als een uitwonende studerende.

4.3.

Voor toepassing van de hardheidsclausule behoefde de minister geen aanleiding te zien nu deze vaststelling van de thuiswonendheid volledig in overeenstemming is met de bedoeling die de wetgever met de regeling in de artikelen 1.1 en 1.5 van de Wsf 2000 voor ogen heeft gestaan. De feitelijke situatie in het voormalige schoolgebouw waar appellant woonde, waarvan de ter zitting gehoorde getuigen een beschrijving hebben gegeven, duiden weliswaar op een grote mate van zelfstandigheid van de wooneenheden in het gebouw, maar voor de hier te maken beoordeling is dat niet van belang. Evenmin is van belang dat, zoals in het geval van appellant mede door de afstand tussen de wooneenheden, geen voorzieningen behoeven te worden gedeeld met de ouder die onder hetzelfde brp-adres ingeschreven staat. Voorts komt geen betekenis toe aan de omstandigheden die hebben geleid tot het gemeenschappelijke woonadres. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op, onder meer, de uitspraken van de Raad van 25 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9728, en

6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2556. Dat de vader van appellant als beheerder van het pand door de verhuurder werd verplicht in het gebouw te gaan wonen en dat appellant daar op dat moment al woonde, maakt de beoordeling dus niet anders. De uitzonderlijke situatie die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 25 juli 2008, ECLI:Nl:CRVB:2008:BE6614, doet zich bij appellant niet voor.

4.4.1.

De minister voert bij de uitoefening van de bevoegdheid tot herziening ex artikel 7.1, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 een beleid inhoudende dat in de situatie dat te veel aan studiefinanciering is toegekend steeds volledig wordt herzien, ook indien de herziening het gevolg is van een door hem gemaakte fout. Er wordt slechts een uitzondering gemaakt in die gevallen dat de minister meerdere malen een fout heeft gemaakt bij de verwerking van dezelfde gegevens en de studerende bovendien redelijkerwijs niet kon weten dat het oorspronkelijke besluit onjuist was.

4.4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad – onder meer de uitspraak van 21 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5167 – is dit beleid niet kennelijk onredelijk, nu de wetgever met artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 heeft beoogd dat ook in het geval dat ten onrechte studiefinanciering is toegekend als gevolg van door de minister onjuist verwerkte gegevens met terugwerkende kracht tot volledige herziening wordt overgegaan.

4.4.3.

De herziening heeft plaatsgevonden ruimschoots voor het einde van de in artikel 7.1, derde lid, van de Wsf 2000 opgenomen termijn van 18 maanden, te rekenen vanaf het einde van het studiefinancieringstijdvak. Nu geen sprake is geweest van een herhaalde fout als bedoeld in het onder 4.4.1 weergegeven beleid en appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat de toekenning onjuist was, is de herziening met dat beleid in overeenstemming. In dit verband wijst de Raad volledigheidshalve op zijn uitspraak van 25 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6619. Voor afwijking van dat beleid behoefde de minister in wat in het voorliggende geval is aangevoerd geen aanleiding te zien. Dat appellant in de periode waarover is herzien woonlasten heeft gehad en dat hij – desondanks ook – met een terugvordering is geconfronteerd zijn geen bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het beleid nopen. Het oplopen van een schuld bij een onjuiste toekenning komt voor risico van de studerende die – ook al is dat te goeder trouw geweest – een (juridisch) onjuist beeld heeft geschetst of in stand heeft gehouden, zoals hier door het niet melden van het wonen op hetzelfde adres als het brp-adres van zijn vader.

4.5.

Uit wat is overwogen onder 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md